De neef van oom Mozes 

2014-09-29 (3)Achttien jaar lang werkte Simon Hammelburg aan een nieuwe versie van zijn debuut Kaddisj voor Daisy. Het bewerkte, aangevulde en verfijnde boek Van binnen is alles stuk, presenteerde de in Frankrijk woonachtige creatieve duizendpoot onlangs in zijn geboortestad Amsterdam. 

Het deed hem goed om weer even terug te zijn in de stad van zijn ouders, de stad van zijn voorvaderen. De grachten, de drukte, die Amsterdamse humor, Simon Hammelburg (62) genoot ervan. Voor de promotie van zijn nieuwe boek Van binnen is alles stuk was hij een week in Nederland. Hij deed wat boodschappen, at een hapje bij zijn favoriete Indonees en bezocht zijn zwangere dochter. Een paar dagen later zou hij haar, bij de presentatie in een bomvolle boekhandel in de Beethovenstraat, het eerste exemplaar overhandigen. „Omdat ze zwanger is, overhandig ik het eigenlijk aan de twee nieuwe generaties,” vertelt Hammelburg gezeten in een ruime fauteuil in de ontvangstkamer van het Ambassade Hotel aan de Herengracht. Amsterdam is een uitje voor de man die al meer dan tien jaar in een klein dorpje vlakbij Limoges woont. Na jarenlang in de schijnwerpers te hebben gestaan als muzikant en cabaretier – met zijn compagnon Ron Klipstein – en na jarenlang de wereld te hebben afgereisd als verslaggever en correspondent voor tv en radio heeft Hammelburg, naar eigen zeggen, eindelijk rust gevonden in het landelijke Frankrijk. „Ik heb jaren in vliegtuigen gewoond en heb dankzij mijn werkgevers elke centimeter in Amerika gezien,” zegt hij opgewekt. Hoewel Hammelburg de zestig al is gepasseerd, is zijn glimlach nog steeds als van een kind. Het was in datzelfde Amerika waar zijn schrijfproject begon. In augustus 1992 kreeg Hammelburg in Los Angeles bezoek van een bevriende advocaat uit Bremen, Ingo Leetsch. De Duitse advocaat was zwaar verontwaardigd over de houding van zijn overheid. Na de hereniging van de beide Duitslanden, in oktober 1990, kwamen mensen wier Oost-Duitse bezittingen – van fabrieken tot kunstvoorwerpen – tussen 1933 en 1945 door de nazi’s afhandig waren gemaakt, in aanmerking voor een schadevergoeding. Maar in plaats van deze regeling groot aan te kondigen, hield de Duitse overheid zich heel erg stil. Aangezien de deadline 31 december 1992 was, besloot Hammelburg samen met Leetsch een paar advertenties te plaatsen in Joodse weekbladen in Los Angeles en omstreken, waarin zij aanboden om mensen gratis te helpen claims in te dienen. Binnen de kortste keren kreeg de Amerikaanse media hier lucht van en stond bij Hammelburg de telefoon roodgloeiend. In enkele maanden tijd kreeg hij meer dan duizend telefoontjes binnen van Holocaustoverlevenden en hun familie. Die getuigenissen zouden de basis vormen voor zijn Kaddisj voor Daisy en Van binnen is alles stuk.

 Waarom heb je ervoor gekozen om een herbewerking te maken?
Het boek is per toeval ontstaan. Veel mensen belden niet alleen voor de claim, maar ook om hun ei kwijt te kunnen. Vijf maanden lang kreeg ik de hele dag door telefoontjes. Het waren ongelooflijk indrukwekkende verhalen. Ik heb al die verhalen uitgetikt. Uiteindelijk had ik twaalfhonderd getuigenissen, allemaal netjes geordend. Nadat ik alle claims had doorgefaxt aan mijn advocatenvriend in Duitsland, bleef ik met die ordners zitten. Ik heb de verhalen toen nog aangeboden bij verschillende partijen, waaronder de Shoah Foundation van Spielberg. Maar niemand wilde ze hebben. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om het weg te gooien en daarom ben ik zelf het verhaal gaan schrijven. Maar eigenlijk is het in tussenstand uitgegeven. Er was nog zoveel meer. Het was een boek over de doden dat door bleef leven. Na publicatie kreeg ik veel reacties en kwamen er weer nieuwe verhalen boven water. Ik heb er tot een paar weken terug nog aan gewerkt.

Maar als je zoveel nieuwe verhalen hebt, waarom schrijf je dan geen nieuw boek?
Omdat het allemaal onderdeel is van één groot verhaal. Alle stukjes maken samen een collage. Lezers van Kaddisj kwamen terug bij mij met aanvullingen, met nieuwe feiten. Zoals het verhaal over gevluchte Duitse Joden in Nederlands-Indië die door de Nederlandse overheid in concentratiekampen werden gestopt. Zij werden van eiland naar eiland vervoerd in de ruimen van slavenboten, in kooien van prikkeldraad. Een van de boten zonk en meer dan vierhonderd gevangen verdronken. De hele affaire is door de Nederlandse overheid in de doofpot gestopt. Een grote schande. Door deze en andere nieuwe verhalen bleef het project maar groeien. En je moet alle feiten tot in de puntjes uitzoeken.

Het lijkt me dat je daar veel tijd aan kwijt bent?
Ja, ongelooflijk. Maar dat was met het eerste boek ook al zo. Toen moest je nog alles napluizen in bibliotheken. Ik weet nog heel goed het verhaal van een Joodse vrouw die heel Europa had doorgelopen. Zij vertelde mij dat ze ergens na mei 1940 met een visum de Spaanse grens was gepasseerd en via Portugal een boot had genomen naar Amerika. Technisch gezien kon dat helemaal niet. Spanje had net als Portugal in mei 1940 haar grenzen hermetisch gesloten voor vluchtelingen en Amerika al helemaal. Dat betekende dat haar verhaal op drie cruciale punten niet waar kon zijn. Maar toch geloofde ik haar. Na lang zoeken bleek er een Portugese consul-generaal te zijn, meneer Sousa Mendes, die na mei 1940 bij de Frans-Spaanse grens stiekem visa uitschreef voor Joodse vluchtelingen. Zo heeft hij in korte tijd meer dan tienduizend mensen gered. Die vluchtelingen werden in Portugal opgevangen door streng katholieke industriëlen met oud geld. Die hebben vervolgens de Amerikaanse immigratiedienst omgekocht. Wat niet kon, was wel gebeurd.

Wat is het grote verschil tussen Kaddisj en het nieuwe boek?
Er is heel veel veranderd. Ik heb alleen het hart van het boek overeind gelaten. Ik ga niet te veel verklappen, maar het is een ontmoeting in New York tussen de hoofdpersoon en zijn jeugdvrienden die hij heeft leren kennen via Haboniem, de socialistische zionistische jeugdbeweging. Ze noemen elkaar ‘partners in crime’. Allemaal mannen van dezelfde leeftijd, allemaal met dezelfde achtergrond. In het hart staat alles over de naoorlogse generatie.

In hoeverre is Van binnen is alles stuk een boek voor de tweede generatie?
Heel erg. Ik kreeg onlangs een e-mail van een leeftijdgenoot. Zij had de drukproef gelezen en schreef mij: ik heb meteen dertig exemplaren besteld, dan hoef ik nooit meer uit te leggen wat mij zo bezighoudt.

Heb jij last gehad van een tweedegeneratietrauma?
Ja. Al was ik me daar eerst niet bewust van. Ik heb altijd hard gewerkt. Gewoon handen uit de mouwen en niet zeuren. En altijd maar werken, werken, werken. Van buiten zag het er normaal uit, van binnen was alles stuk. Opeens knapte er iets in me. Een vriendin waarmee ik goede plannen had, overleed plotseling. Ik viel toen in duizend stukjes op de grond. Maar ik merkte aan mezelf dat mijn verdriet niet normaal was, het was onevenredig aan de gebeurtenis. Het leek wel of er honderd jaar verdriet uit me kwam. Dat ging niet alleen over haar. Ik probeerde weer door te gaan met werken, maar dat lukte niet helemaal. Ik woonde toen in Amerika en heb toen een klinisch psychologe bezocht. Flo Kinsler, heette ze. Aan haar heb ik ook het boek opgedragen. Eindelijk was er iemand die mij begreep, zij kon precies benoemen wat ik voelde. Ik heb anderhalf jaar bij haar gezeten en ik werd een gelukkig mens.

Wat voor verdriet voelde je?
Een soort onverwerkt verdriet. Onze ouders wilden ons natuurlijk beschermen, maar dat was heel moeilijk. Ik had heel lieve ouders en ze spraken niet veel over de oorlog. Als ik iets vroeg, dan kreeg ik wel antwoord. Maar in de gesprekken die zij met elkaar of anderen voerden kwamen vaak namen van mensen die in de oorlog waren vermoord ter sprake. Personen die zich voor een kind in een soort zwart gat bevonden. Overal waar ik kwam werd ik aangesproken met: ‘Ben jij de kleinzoon van rabbijn Simon Hammelburg?’ Dan kreeg ik het verhaal te horen van de beroemde misjna-vertaling die hij had gemaakt. Ik werd vaak geconfronteerd met hem, maar ik had die man nog nooit geroken, geknuffeld of op zijn schoot gezeten. En nu noem ik één familielid. Ik had heel veel ooms en tantes die nooit zijn teruggekeerd. Ik voelde altijd dat lijden van anderen. Maar rouwen om mensen die je niet hebt gekend, kan niet. Dan krijg je onverwerkt verdriet. En je krijgt ook te maken met een boosheid waarmee je geen kant op kan. Dat is de valkuil, want onverwerkte boosheid leidt tot depressie.

Voor een kind is dat eigenlijk heel oneerlijk.
Zo was dat gewoon. Dat kan je niemand kwalijk nemen. Ik weet nog wel dat ik thuis een keer een oud lelijk kopje kapot liet vallen. Iedereen was in rep en roer. Het bleek het kopje van ene tante Beppie te zijn. Wist ik veel, het was gewoon een rot kopje. Maar de dingen die in onze ogen futiliteiten waren, daar konden voor andere heel grote emoties aan kleven. Een ander voorbeeld: ik had een hele goede relatie met mijn vader. Op een bepaald moment werd ik ergens pisnijdig over. Het enige wat mijn vader deed was lachen. Hij keek me aan en zei: je bent precies jouw oom Mozes, alleen dan niet zo intelligent. Dat was apart. Ik leek op een oom die ik nooit gekend had, maar ik was net niet goed genoeg.

Lees verder in NIW 8

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*