De leermeester van de kunst

Als achtjarige ging ik elke zondag naar de cursus Artis Ateliers, lekker tekenen in de dierentuin. Artis natura magistra immers, de natuur is de leermeester van de kunst. Het was niet alleen het hoogtepunt van mijn week, maar achteraf gezien ook van mijn artistieke carrière.

De vroege gouache Zebra achter tralies, typerend voor mijn zwart-witte-strepenperiode, siert nog altijd de garage van mijn ouderlijk huis. Wat ik me toen niet realiseerde is dat ik mezelf met deze cursus in een rijke traditie van Joodse kunstenaars in Artis schaarde. Aan het begin van de vorige eeuw was de dierentuin een ontmoetingsplek voor artistieke buurtbewoners, van wie de meesten Joods: Joseph Mendes da Costa liet zich er inspireren voor zijn gestileerde apenbeeldjes, zijn zwager Samuel Jessurun de Mesquita voor zijn mooiste houtsneden. De neven Henri en David Teixeira de Mattos waren er graag geziene gasten. Ook prozaïscher genaamde kunstenaars kwamen op de Amsterdamse diergaarde af, zoals de Duitse schilder Max Liebermann en de nog minder exotisch klinkende Jaap Kaas (1898–1972).

Hoewel die laatste nu zo goed als vergeten lijkt, leidde hij tijdens de oorlog een Joodse kunstacademie en stond hij daarvoor bekend als ‘de beeldhouwer van Artis.’ Dagelijks was hij schetsend of boetserend in de dierentuin te vinden, waar hij ook atelier hield. Wie goed kijkt vindt er zijn beelden overal terug: de granieten roofdieren die hun prooi verslinden voor de Leeuwenzaal, de copulerende tijgers in het Kleine Zoogdierenhuis, een bronzen hangbuikzwijn tussen de bosschages. In het JHM Museumcafé krijst zijn Dreigende mantelbaviaan (foto).

Opmerkelijk eigenlijk dat zoveel Joodse kunstenaars de fauna als onderwerp kozen. Dat wordt meermaals expliciet verboden: het tweede van de Tien Geboden is daar vrij duidelijk over. Ook ‘de tweede Mozes’, de middeleeuwse filosoof Maimonides, waarschuwt voor het maken van afbeeldingen van levende wezens, want voor je het weet kniel je ervoor neer en dat is afgoderij, een doodzonde. Een afgodenvereerder is zo’n beetje het ergste wat je kunt verzinnen. Als hij in levensgevaar verkeert zou je er zelfs goed aan doen door te lopen, vindt de Rambam.

Heeft alles te maken met dat akkefietje in de woestijn, toen (de eerste) Mozes de berg op ging om de Wet in ontvangst te nemen en het volk een gouden kalf begon te vereren, met een zeldzame woede-uitbarsting van Mozes tot gevolg: hij richtte een bloedbad aan onder zijn eigen volk. Ik heb dat altijd een raar verhaal gevonden. Hoe moesten de Israëlieten, nog zonder Tora, weten dat afgoderij een zonde was? Er was weliswaar een verbond gesloten met Noach, maar dat was inmiddels zo lang geleden en dat stond vast nergens opgeschreven.

Wat mij betreft is er niets mis met het afbeelden van dieren, zolang ze niet als afgod bedoeld zijn. Sorry, Mozes

Maar stel, een meester zegt tegen zijn klas: “Jongens, ik moet even naar boven om met de Rector te praten. Braaf zijn hè?” Het duurt nogal lang en uit pure verveling maken de kinderen een tekening op het schoolbord, van de Rector. Juist op dat moment stormt de meester binnen en roept: “Ik hoor net van de Rector dat het ab-so-luut verboden is Hem op het schoolbord te tekenen!”, waarna hij ze een flink pak slaag geeft en verbiedt ooit nog dieren te tekenen. Toegegeven, misschien hadden ze Hem niet als rund moeten afbeelden, maar is het echt de schuld van de kinderen, of gewoon slechte timing van de meester?

Nee hoor, wat mij (en de culturele elite van begin twintigste eeuw) betreft is er niets mis met het afbeelden van dieren, zolang ze niet als afgod bedoeld zijn. Sorry, Mozes nummer een en twee. Ik adviseer iedereen die kinderen heeft om met ze te gaan tekenen, thuis, in de natuur of in de dierentuin. Het is de beste manier om de schoonheid van het dierenrijk te leren kennen. Ik weet in ieder geval dat als mijn zoons oud genoeg zijn en zij dat willen, ze zo snel mogelijk op een cursus Artis Ateliers gaan. Van mij mogen ze zelfs kalveren afbeelden. Dat argeloze dagjesmensen hun kunstwerken voor een afgod kunnen aanzien en er wellicht met heidense devotie voor zullen neerknielen, dat is een risico dat ik bereid ben te nemen.

1 Reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*