De leegte na Ischa 

Ischa Meijer, Paul-Huf, 1976, Maria Austria Instituut/Hollandse Hoogte
Ischa Meijer, Paul-Huf, 1976, Maria Austria Instituut/Hollandse Hoogte
Ischa Meijer, Paul-Huf, 1976, Maria Austria Instituut/Hollandse Hoogte

Niemand die de naoorlogse Nederlandse generatie zo treffend wist te beschrijven in zijn stukken en sketches als meesterinterviewer Ischa Meijer, die 14 februari 1995, twintig jaar geleden, op zijn 52e verjaardag overleed. 

En baasje, waar was jij met je pappie en mammie in de oorlog?’ ‘In Belsen, mevrouw.’ Waarna zij in lachen uitbarstte, op haar in haar arm getatoeëerde Auschwitz nummer wees en riep: ‘Belsen? Laat me niet lachen! Koekjes eten zul je bedoelen.’” Ischa was de eerste die in een traditie van zwijgen zo taboedoorbrekend schreef over wat hij zelf de leedadel noemde: een competitie in lijden. Op de cd Korte, maar krachtige herinneringen, die een aantal van Ischa’s mooiste radiofragmenten bevat, doet hij uit de doeken wat hij hier precies mee bedoelde. Op Rosj Pina, waar hij naar school ging, werd „zowel het onderwijzend personeel als het leerlingenbestand zonder uitzondering gevormd door slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Een neurotische minimaatschappij met geheel eigen wetten die toentertijd het naoorlogse Amsterdamse jodendom bepaalde. De onderduik werd als luxe gezien. Zij die hun hele familie verloren hadden kwamen alweer wat dichter bij het ideaal. Wie in een kamp had gezeten kon zich tot de leedadel rekenen, welke kaste natuurlijk eigen rangen en standen kende. Belsen kon niet op tegen Sobibor en op de een of andere mysterieuze wijze stond Auschwitz boven aan het lijstje, als onbetwiste winnaar van deze competitie. Degenen die in Theresienstadt hadden gezeten telden helemáál niet mee – stonden onder de onderduikers, waren op de keper beschouwd eigenlijk fout geweest.”

Onveilig
In zijn gedicht ‘Victorieplein’ staat het inmiddels zo beroemde zinnetje over het jongetje dat alles goed zou maken. Een jongetje dat natuurlijk nooit goed kón maken wat er voorgoed kapot was. Geboren als Israël Chaim midden in de oorlog, in 1943, overleefde hij samen met zijn ouders Bergen Belsen. Nadat het gezin zich in Amsterdam had gevestigd bleef er het onuitwisbare verdriet uit de oorlog, waar ook de drie kinderen, Ischa, Mirjam en Job, slachtoffer van werden. Een veilige jeugd hadden ze geenszins. In de documentaire die in 2005 over Ischa werd gemaakt, Ik hou van mij, doen Mirjam en Job een boekje open over hun ouders, (historicus) Jaap en Liesje Meijer- Voet. Veel eerder al, in 1974 schreef Ischa het boek Brief aan mijn moeder, waarin hij keihard afrekent met zijn jeugd en zijn moeder in het bijzonder. Het motto van het boek, uit een gedicht van Vasalis, spreekt boekdelen: ‘En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.’
De onveilige omgeving waarin hij opgroeide, de angst op je nummer te worden gezet en de eeuwige strijd tussen oudste zoon en vader verklaren een hoop van zijn interviewmethodes, waarbij hij zijn geïnterviewden ook veelvuldig verbaal aanviel. Voor hem ging het uiteindelijk bij al die gesprekken maar om één ding: het menselijk hart. Hij leerde luisteren en vragen stellen bij de bekende Amsterdamse en Joodse psychiater Louis Tas en ging op een analytische manier te werk bij zijn, zoals hij ze zelf noemde, slachtoffers. Regelmatig begon hij zijn interviews, met: ‘Nou vertel maar, pappie, mammie, problemen.’ Het kwam hem vaak op kritiek te staan. Men verweet hem egomanie. Hij zou aan zelfanalyse doen tijdens de gesprekken, de man van één thema zijn.

Egel
Van de oude Griekse dichter Archylochus is een fragment overgeleverd waarin staat dat ‘de vos vele kleine dingen weet, de egel één groot ding’. De Brits-Joodse historicus Isaiah Berlin deelde aan de hand hiervan alle denkers in in twee categorieën. Sommige denkers, de egels, zijn systeembouwers wier denken rond een centraal idee samenhangt. Anderen, de vossen, hebben vele en veelzijdige losse inzichten die uiteindelijk geen samenhangend geheel vormen. Ischa was een egel. Voor hem was elke jeugd ongelukkig en waren alle ouder-kindrelaties verknipt. Wanneer het in zijn interviews keer op keer op deze thema’s uitkwam, was dat juist geen egomanie, maar een bevestiging van wat hij zag als een universeel gegeven. Zijn inzicht was eerder een herkenning van littekens.
Mensen waren bang om door hem geïnterviewd te worden, bang ten prooi te vallen aan zijn niets ontziende, onberekenbare benadering. Tegelijkertijd hoorde je er niet bij als je nooit door hem was ondervraagd. En hij was goed in wat hij deed. Vooral postuum kreeg hij de eer die hem toekwam en werd hij om zijn goede voorbereiding, parate kennis en eruditie geroemd. Voorgesprekken deed hij af als ‘een hap lucht’ en papiertjes met vragen waren uit den boze. Sinds zijn dood is er geen interviewer meer in Nederland geweest met een vergelijkbare aanpak. De enige die een beetje in zijn buurt kwam, Theo van Gogh, overleed – zoals bekend – eveneens te vroeg.
Vaak hadden Ischa’s interviews ook amusementswaarde, maar hij kon feilloos switchen tussen humor en ernst. Prachtig is die combinatie terug te zien tijdens het beroemde interview dat hij deed, verkozen tot beste Nederlandse interview van de vorige eeuw, met Annie M.G. Schmidt. Hierin vertelt ze openhartig over haar bestaan als ‘boom bedekt met mos’ in de jaren dat ze werkzaam was als bibliothecaresse en over haar abortus.
Op een dvd-box, samengesteld in 2010, staan de bekendste televisie-interviews die Ischa deed, veel uit zijn latenight talkshow naar Amerikaans model I.S.C.H.A. voor RTL 5. Daar was hij voor gevraagd door Joop van den Ende; een interessante (over)stap voor de jaren 90, toen de grachtengordel nog erg neerkeek op de commerciële televisie. Maar excelleren deed hij in zijn radioprogramma’s, een van zijn lievelingsgenres.

Abrupt
Bekendheid kreeg hij al daarvoor, toen hij in navolging van Willem Wittkampf het zogeheten full quote-interviewen tot zijn handelsmerk maakte in Vrij Nederland. Vanaf 1991 schreef hij de Dikke Man, een column in Het Parool, waarin hij zijn dagelijkse bezigheden optekende. Slechts vier jaar deed hij dat, want in 1995 kwam er, vlak na het afwikkelen van de erfenis van zijn ouders, een abrupt einde aan de veelzijdige Ischa Meijer: journalist, interviewer, schrijver, theatermaker, acteur, chansonzanger, dichter.
Onderweg naar zijn geliefde koffiehuis stierf hij en liet hij niet alleen Nederland in journalistieke armoede achter, maar ook Connie Palmen, zijn laatste partner – hij had er veel gehad – in groot verdriet. Enkele jaren na zijn dood zou zij hun liefdesverhaal optekenen in I.M.. Ischa Meijer stierf op zijn verjaardag. Wie in het jodendom sterft op zijn verjaardag sterft als een tsadiek, een rechtvaardig mens

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*