De kosjere hamvraag: Sjaksjoeka

SjaksjoekaIk ben ooit bijna gelyncht. Het had weinig gescheeld of mijn veelbelovende leventje was na zeventien lentes gestrand in de golven van de Middellandse Zee.

De Israëlreis van de jeugdvereniging was ten einde, maar ik bleef nog een weekje. Dat was reuze spannend, ik was nog nooit alleen op vakantie geweest. Nadat ik de groep had uitgezwaaid op het vliegveld, nam ik de bus naar Tel Aviv. Het was vroeg, de stad sliep nog en ik besloot een robbertje te gaan zwemmen. Ik deelde de zee met een gebruinde beer van een gozer, die meteen op me af zwom. Zo met zijn tweeën in zee, dat schept een band. Ik moet er na vier weken Israëlische zon behoorlijk inheems hebben uitgezien, want de man begon tegen me aan te sjmoezen in rap, onverstaanbaar Ivriet. Dat was dubbel vermoeiend, want terwijl hij ferm op zijn benen stond, moest ik watertrappelend mijn hoofd boven water zien te houden. In mijn beste vakantie-Ivriet stelde ik me voor als Nederlandse toerist. Kennelijk op zoek naar alternatieve gronden voor verbroedering vroeg de man me daarop of ik sefardisch was. ‘God verhoede!’ antwoordde ik, de Portugese tak van mijn familie indachtig. Daarop ontstak de man in ontembare razernij en begon vreselijk te brullen. Even onverstaanbaar als in het begin, maar ik wist meteen: linke soep. Ik probeerde weg te zwemmen, maar hij greep me bij mijn voet en trok me onder water. Als de karatetrap met mijn andere voet hem niet vol in zijn besneden kruis had getroffen, dan had ik het waarschijnlijk niet kunnen navertellen. Ik begreep niets van wat me was overkomen. Van de schrijnende achterstelling van Israëli’s met Arabische wortels was ons tijdens de Israëlreis niets verteld. Wist ik veel dat sefardische Joden de Marokkanen waren van de Israëlische maatschappij? Dat alle prominente posities werden bekleed door uit Europa en Amerika afkomstige asjkenaziem? De geringschatting voor alles wat sefardisch was, kwam misschien wel het beste naar voren in de Israëlische eetcultuur. De nationale snack konden de oriëntaalse Joden dan wel op hun conto schrijven, maar falafel was niet meer dan ordinair straatvoedsel. In restaurants werd zo Europees mogelijk gekookt. De tweedeling in de Israëlische samenleving is verre van gedicht, maar er is inmiddels wel veel veranderd. Zo ook in de Israëlische keuken. Koks herontdekken de sefardische geuren en smaken. En zie: nog nooit at je zo goed in Israël als vandaag. Het gerecht dat deze culinaire revolutie het beste verbeeldt is sjaksjoeka. Tien jaar geleden had vrijwel niemand ervan gehoord, inmiddels dweept iedereen met sjaksjoeka. Het is een eenpansgerecht, afkomstig uit Tunesië en eigenlijk weinig meer dan oriëntaals gekruide ratatouille, waarin eieren worden gepocheerd. Sjaksjoeka is in rap tempo bezig om falafel van de troon te stoten als het nationale gerecht van Israël. Het maakt dankbaar gebruik van de overvloedige rijpe tomaten en paprika’s en zijn pretentieloosheid past uitstekend bij de volksaard. De receptuur is zo fl exibel als wat. Hoeveelheden maken niet uit en mislukken kan nauwelijks. Het resultaat is even kleurrijk als gezond als tongstrelend. Geen wonder dat sjaksjoeka ook buiten Israël en het Midden-Oosten aan populariteit wint. Dat is ook te danken aan het missiewerk van Yotam Ottolenghi, de Israëlische kookgoeroe die sjaksjoeka in geen van zijn kookboeken overslaat. Sinds enige tijd maak ik minstens een keer per week sjaksjoeka. Ik kan niet meer zonder, al was het maar omdat het hele huis er zo fantastisch van gaat geuren. Mocht ik ooit nog in de Israëlische golven een man tegenkomen die me vraagt of ik sefardisch ben, dan zal mijn antwoord zijn: God, helaas niet! – mijn sjaksjoeka indachtig.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*