De kinderen van Truus

Boom in Yad Vashem, geplant voor Truus Wijsmuller. Foto: Ehud Amir / Wikipedia
Boom in Yad Vashem, geplant voor Truus Wijsmuller. Foto: Ehud Amir / Wikipedia

Ruim tienduizend Shoa-overlevenden en hun nakomelingen danken het leven aan Truus Wijsmuller, de grootste redder van Joden na Raoul Wallenberg. De eerste film over haar is nu in de maak.

In Yad Vashem in Jeruzalem staat een boom ter nagedachtenis aan Truus Wijsmuller, sinds 1966 erkend als ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’. Een stil eerbetoon aan een vrouw die van 2 december 1938 tot en met 14 mei 1940 tienduizend Joodse kinderen uit Berlijn, Wenen en Praag naar Nederland en Engeland bracht. Hiermee heeft zij, na de Zweedse diplomaat Raoul Wallenberg, waarschijnlijk de meeste Joodse levens gered tijdens het nazibewind. Zo bekend als Wallenberg of Oskar Schindler is Wijsmuller echter nooit geworden. Ten onrechte, menen documentairemakers Pamela Sturhoofd en Jessica van Tijn van Special Eyes Productions en rabbijn Lody van de Kamp. Samen met Blunt Cinema werken zij nu aan de (Engelstalige) film Truus’ Children, waarin de kinderen van toen herinneringen aan Truus en aan hun ontsnappingsreis vanuit nazi-Duitsland naar Engeland ophalen.

Niet thuiszitten
Wijsmuller, op 21 april 1896 geboren in Alkmaar als Geertruida Meijer, kreeg van jongs af aan de boodschap mee om ‘altijd op te komen voor de mensen die het werkelijk verdienen en nodig hebben’, vertelde ze later. Ze herinnerde  zich dat haar vader een bezoeker die op Joden schold meteen van repliek diende. Haar ouders, drogist/apotheker Jacob Meijer en modiste Bertha Hendrica Boer, waren welgestelde liberale hervormde christenen. Zij gaven hun dochter na de Eerste Wereldoorlog al een indringend voorbeeld van naastenliefde door verzwakte kinderen uit Oostenrijk in huis te nemen.
In 1913 verhuisde de familie naar Amsterdam. Truus zeventien jaar oud, verliet de Alkmaarse Handelsschool met een getuigschrift. In Amsterdam kreeg ze een baan bij de Rotterdamsche Bankvereeniging N.V. Via haar werk ontmoette ze haar man Joop Wijsmuller, hoofdkassier en procuratiehouder van De Javasche Bank. Toen bleek dat het echtpaar geen kinderen kon krijgen adviseerde Truus’ huisarts haar om zich te wijden aan sociaal werk.
Wijsmuller wilde geen thuiszittende huisvrouw zijn. Ze leidde een bewaarplaats voor kinderen van werkende vrouwen en coördineerde thuishulp voor zieken en kraamvrouwen, was bestuurder van het sanatorium in het Amsterdamse Oosterpark, actief voor de Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, en in 1939 medeoprichtster van het KVV (Korps Vrouwelijke Vrijwilligers) om hulp te kunnen bieden in verband met de dreigende oorlogssituatie, en organiseerde liefdadigheidsevenementen.
Met al deze activiteiten bouwde Truus een groot netwerk op, al was ze ‘maar’ vrijwilligster. De mensen die zij leerde kennen beschikten vaak zelf weer over veel contacten, tot op regeringsniveau, en waren financieel draagkrachtig.

Truus Wijsmuller bij haar beeld, gemaakt door Herman Janzen. Foto: Ron Kroon (ANEFO) – Gahetna Nationaal Archief Nederland/Wikipedia

Onder haar rokken
Na Hitlers machtsovername in 1933 kreeg Wijsmuller ongeruste brieven in handen van in Duitsland wonende familieleden van Joodse vrouwen die ze kende via haar liefdadigheidswerk. Truus haalde enkele van deze familieleden op en bracht ze naar Nederland. Als niet-Joodse kon zij zich vrijer over de grens bewegen. Na de Kristallnacht van 1938 gingen er geruchten dat er Joodse kinderen rondzwierven in het grensgebied. Zij waren op de trein gezet door hun Duitse en Oostenrijkse ouders, maar Nederland liet hen niet toe. Truus ging erheen en smokkelde een Pools-Joods jongetje mee terug in de auto, onder haar rokken. Daarna bracht ze vaker Joodse kinderen vanuit Duitsland naar Nederland, waar het speciaal daarvoor opgerichte Kindercomité hen plaatste bij Joodse pleegouders of liet opnemen in tehuizen.
De Britse regering verklaarde zich in 1938 bereid om Joodse kinderen uit nazi-Duitsland en Oostenrijk op te nemen. Daarop bezocht Truus het toenmalige hoofd van de emigratieafdeling in Wenen, Adolf Eichmann, en vroeg he zo’n tienduizend Joodse kinderen naar Engeland te laten gaan. Aanvankelijk snauwde hij haar af. “Wij onderhandelen niet met vrouwen.” Truus was daar niet van onder de indruk en stak van wal. “So reinarisch und dann so verrückt,” concludeerde Eichmann, die haar haar rok op liet tillen en een stukje liet rondwandelen, omdat hij dacht aan haar manier van lopen te kunnen zien of ze Joods was. Bij wijze van grap stelde Eichmann Wijsmuller voor een – naar hij dacht – onmogelijke opdracht: binnen vijf dagen zeshonderd kinderen op de trein van Wenen naar Nederland zetten – op een zaterdag, expres op sjabbat. Het lukte haar.
Daarna volgden meer kinderen. De uitvoering van de reizen kwam snel op gang en was in handen van individuen en organisaties, zowel seculier als religieus, in Engeland, Nederland, Oostenrijk, Polen en Tsjechië. In elk land werden Kindercomités opgericht om reis, aankomst en verblijf te organiseren. Er werden lijsten gemaakt van kinderen die het meest in gevaar waren: bijvoorbeeld weeskinderen en kinderen met ouders in concentratiekampen.
Het waren vooral vrouwen die zich inzetten voor de uitvoering van de kinderreizen: ze waren al actief in zionistische organisaties, het sociale werk en de vrouwenbeweging. In alle Europese steden werkten ze samen met bestuurders van Joodse gemeentes. In Nederland was Truus Wijsmuller de spil van de kinderreizen. Ze onderhield alle noodzakelijke contacten en werkte onder andere samen met Mies Boissevain, feministe en later verzetsstrijder.

Op zoek naar juwelen
Per reis ging steeds een maximum van 150 kinderen mee. Als Truus meereisde, nam ze de leiding en verantwoordelijkheid (inclusief de reisdocumenten) voor alle mensen in een transport: van het station van vertrek tot op het schip bij Hoek van Holland. De kinderen gingen vaak naar Engeland, soms naar Zweden, anderen naar België, een aantal bleef in Nederland. De ouders beloofden hun zoons en dochters dat ze later zelf ook zouden komen, anders waren de kinderen nooit vertrokken.
De Duitsers lieten de treinen met kinderen niet altijd ongehinderd gaan. Norbert Wollheim, een Duitse begeleider, weet nog: “Bij het eerste transport kwamen we bij de grens bij Bentheim. Niet de gewoonlijke grensbeambten, maar SS’ers kwamen in de wagons. Ze gedroegen zich als beesten. Ze vielen de kinderen niet aan, maar scheurden wel hun bagage open. Zelfs tubes tandpasta gingen eraan, op zoek naar juwelen. Ze vonden niets. Het duurde zo lang dat de wagons met Joodse kinderen apart werden gezet, zodat de rest van de reizigers de boot kon halen. Toen de trein in Nederland zonder kinderen aankwam, ging een van hen, een heel moedige vrouw, Truus Wijsmuller-Meijer, naar Bentheim. Ze legde de zweep over de SS’ers: ‘Wat is hier aan de hand?’ ‘We doen onze plicht.’ ‘Jullie doen niet je plicht, jullie gedragen je heel slecht.’ ‘Mevrouw, we hebben het idee dat u ons niet zo mag.’ ‘Ja, u hebt volkomen gelijk. Persoonlijk kan u deugen, maar als groep bent u onmogelijk.’ Dit vergeet ik nooit.”
Truus dronk ‘voor de goede zaak’ ook borrels met Duitse soldaten om zo dingen makkelijker voor elkaar te krijgen. Grenswachten kocht ze om met sigaren en flesjes parfum voor hun vrouwen.

De Burgerweeshuiskinderen voor mei 1940. Foto: NIOD

Capitulatie
Ook na het uitbreken van de oorlog in september 1939 bleven er kinderen de grens over komen. Uiteindelijk zijn bijna tweeduizend vluchtelingenkinderen in Nederland gebleven, waarvan ongeveer een derde de oorlog heeft overleefd.
Truus Wijsmuller was in Parijs om een driejarig Duits-Joods meisje naar de Spaanse grens te brengen, toen de Duitse invasie op 10 mei 1940 begon. Een gebeurtenis waarvoor ze al had gewaarschuwd in politiek Den Haag. Ze droeg het meisje over aan anderen en reisde in drie dagen door oorlogsgebied terug naar Amsterdam voor de vluchtelingenkinderen in het Burgerweeshuis, waar ze sinds maart 1939 bestuurslid van was. Haar man had de kinderen – Joodse vluchtelingetjes uit Duitsland – vaak meegenomen op een uitje, bijvoorbeeld naar dierentuin Artis, waar Truus voor hen gratis toegang had bedongen. De kinderen kwamen ook bij de Wijsmullers thuis en noemden haar ‘tante Truus’.
De laatste groep die Truus in veiligheid bracht bestond uit de 74 Joodse vluchtelingenkinderen van dit Burgerweeshuis. Wijsmuller regelde hun evacuatie op verzoek van de garnizoenscommandant van Amsterdam. Die had deze opdracht weer van een hulpcomité uit Londen gekregen. Ze droeg de kinderen op om hun pyjama’s en andere spulletjes te pakken en zo gauw mogelijk naar de Lijnbaansgracht te gaan, ongeveer tien minuten lopen. Daar stonden vijf autobussen klaar. Met deze bussen reed zij samen met de kinderen naar de haven van IJmuiden. Bij een wegafzetting werd de karavaan eerst niet doorgelaten, maar Truus wist via een toevallig aanwezige kennis, de directeur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, toegang tot de haven te verkrijgen van de marinecommandant. Daarna moest ze de kapitein van het klaarliggende schip er nog van overtuigen dat de kinderen beslist mee moesten.
Tien minuten voor de capitulatie van Nederland op 14 mei 1940 vertrok de SS Bodegraven met de kinderen naar Engeland. De tocht was gevaarlijk, want Duitse vliegtuigen beschoten de vertrekkende schepen.

Stoomschip Bodegraven

Gestapo
Truus bleef zelf bij haar man in Nederland, die haar volop steunde. Ze voerde haar reddingsacties nu illegaal uit, in samenwerking met het Belgische verzet. Ze bracht Rode Kruis-voedselpakketten en medicijnen voor vluchtelingenkampen naar het onbezette deel van Frankrijk. Hierbij nam ze altijd Joodse kinderen mee, die via Zuid-Frankrijk een veilig heenkomen vonden in Zuid-Amerika. In 1941 maakte het Rode Kruis een einde aan deze transporten. Datzelfde jaar ging ze voor reisbureau Hoyman en Schuurman werken. Ze begeleidde op verzoek van de bezetter groepen Joden die – na ruime betaling – via Spanje en Portugal Europa mochten verlaten. Ze had vooraf wel geëist dat er dan ook Joodse kinderen met geldige uitreisvisa kosteloos mee mochten, en zo geschiedde.
In de zomer van 1942 hield de Gestapo Truus enkele dagen vast op de – terechte – verdenking van het samen met een Belgische verzetsgroep organiseren van valse identiteitspapieren en vluchtroutes van Nederland naar het zuiden. Bij  gebrek aan bewijs werd ze weer vrijgelaten. Als lid van de verzetsorganisatie Groep 2000 stuurde ze voedselpakketten naar Westerbork, Bergen-Belsen en Theresienstadt. Dankzij haar tussenkomst bij de bezettingsautoriteiten werden 44 weeskinderen in Westerbork niet naar vernietigingskamp Auschwitz gestuurd maar naar Theresienstadt.
Aan het eind van de oorlog hield Truus zich bezig met de ‘levensmiddelen-business’, zoals ze dat zelf noemde. Ze hielp onder meer mee met het organiseren van voedselpakketten en medicijnen voor Westerbork, Theresienstadt en Bergen-Belsen. In de Hongerwinter organiseerde ze de evacuatie van zesduizend Amsterdamse kinderen van de westelijke naar de noordoostelijke provincies.

Planetoïde
In 1962 liet Wijsmuller na lang aandringen haar verhaal optekenen door L.C. Vrooland in het boek Geen tijd voor tranen: “Mijn aandeel in het redden van mensen was niet zo belangrijk. Ik deed mijn werk niet in de oorlog. Het was nog voor de oorlog. Ik was nooit echt in gevaar. Wat ik heb gedaan was niet genoeg. Het waren maar zo een tienduizend kinderen. Hoeveel miljoenen zijn er daarna niet omgekomen?”
Ook vertelde zij waarom zij op 14 mei 1940 niet met de kinderen van de Bodegraven was meegevaren naar Engeland. Ze had dat zo snel besloten dat zelfs haar tas en haar jas op de boot waren achtergebleven: “Ik zag vanaf de boot die duizenden mensen op de kade staan! Duizenden mensen in paniek waarvan ik, na alles wat ik in nazi-Duitsland had gezien, wist dat deze ten dode stonden opgeschreven in het nu bezette Nederland. Ik moest terug om te kijken wat ik meer kon doen dan alleen maar die 74 kinderen in veiligheid brengen.”

‘Mijn aandeel in het redden van mensen was niet zo belangrijk’

Na de oorlog zat Wijsmuller twintig jaar in de Amsterdamse gemeenteraad, eerst in een noodraad en van 1949 tot 1966 voor de VVD. Ze was samen met Otto Frank een van de eerste bestuursleden van de Anne Frank Stichting. Haar hele leven bleef ze mensen helpen en organiseerde bijvoorbeeld de geldinzameling voor een speeltuin in Eilat. Zij werd onder andere onderscheiden als Officier en Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en als ereburger van Amsterdam. Er zijn straten naar Truus Wijsmuller vernoemd in Leiden, Pijnacker en Coevorden. In Leiden draagt een tunnel haar naam en er is zelfs een planetoïde naar haar genoemd, de ‘Tantetruus’.
In 1965 werd er een borstbeeld van haar onthuld in sanatorium Beatrixoord in het Amsterdamse Oosterpark. Toen dit sanatorium in 1976 sloot, nam Wijsmuller het beeld, dat niemand anders wilde hebben, mee naar huis. Na haar dood werd het in december 1978 weer onthuld, nu op het Amsterdamse Bachplein – daar had ze in de oorlog namelijk vaak afspraken met mensen die wilden vluchten. “Weet je wat op de zuil staat?” zei rabbijn Van de Kamp in een interview in Trouw, “‘Gemeenteraadslid Amsterdam, 1945-1966’. Op geen enkele manier doet dit beeld recht als herinnering aan deze bijzondere Amsterdamse vrouw. Merkwaardig vind ik dat. Ik heb onlangs een mail gestuurd naar de Amsterdamse VVD-fractie met de vraag of het wellicht een idee is om een straat of plein naar Truus Wijsmuller te vernoemen. Daar is nog geen uitkomst over.” Voor het standbeeld ligt wel een nauwelijks zichtbare plaquette, met daarop een tekst over de kinderen die zij heeft gered. In de Alkmaarse gemeenteraad is recentelijk een motie aangenomen met de strekking Tante Truus permanent te herdenken.

Wijsmuller in haar tijd als gemeenteraadslid. Foto: RVD/Nationaal Archief

Moeder van 1001
Truus Wijsmuller overleed op 30 augustus 1978. Ze had haar lichaam ter beschikking van de wetenschap gesteld. In een rouwadvertentie beschreven enkele vluchtelingenkinderen haar als ‘de moeder van 1001 kinderen, die van het redden van Joodse kinderen haar werk had gemaakt’.
De kinderen van toen zijn inmiddels hoogbejaard en wonen over de hele wereld, bijvoorbeeld in Israël, Amerika, Canada, Zwitserland. De makers van de documentaire Truus’ Children hebben er nu zestien gevonden en zes gesproken. In de trailer op de website komen er vier aan het woord over ‘tante Truus’. De filmmakers zijn bezig met crowdfunding om fondsen te werven om alle overlevenden te kunnen spreken. Van de benodigde 25.000 euro is op dit moment 15.000 euro binnen en rest er dus nog een tekort van 10.000 euro.

Meer info en donaties via www.truus-children.com.

Dit artikel kwam mede tot stand dankzij Lida Boukris-Jong, socioloog en voormalig organisatiedeskundige. Boukris werkte de afgelopen drie jaar aan een recentelijk afgerond, bijna 200 pagina’s dik onderzoeksverslag getiteld ‘Truus Wijsmuller – herinneringen van een verzetsvrouw’.

6 Comments

  1. Nog nooit heb ik van Truus Wijsmuller gehoord maar wat ik nu van haar gelezen heb, heb ik een brok in mijn keel. Wel raar en naar dat deze vrouw in de vergetelheid dreigt te geraken. Waarom hebben wij zo weinig op met echte hel(dinn)en? Waarschijnlijk omdat tijdens de bezetting wij door collaboratie v overheden (posterijen, NS, politie etc.) wij geen geschiedenis hebben geschreven en om trots op te zijn

  2. De twee keer dat ik Yad Vashem samen met mijn vrouw in Jeruzalem bezocht heb, heeft dat een onuitwisbare indruk gemaakt. Er zijn daar vele bomen geplant ter nagedachtenis van burgers die Joodse mannen, vrouwen, kinderen onderdak boden met gevaar van eigen leven. Wij gedachten daar o.a. Corrie ten Boom een vrouw, horlogemaakster uit Haarlem die Ravensbrück overleefde. Vader Ten Boom, Corrie en haar zuster Betsy boden Joden een schuilplaats en verzorging tot ze verraden werden.

    “Vrijwilligster” Truus Wijsmuller, wordt sinds 1966 terecht erkend als ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’. Ik hoop dat de documentaire over deze creatieve en vooral moedige vrouw op TV en Bioscopen wereldwijd te zien zal zijn. Deze doortastende vrouw bracht van 1938 tot 1940 TIENDUIZEND Joodse kinderen uit Berlijn, Wenen en Praag naar Nederland en Engeland.

    In Wiki las ik dat 5516 Nederlanders en 1.707 Belgen een onderscheiding hebben ontvangen van Yad Vashem als „Rechtvaardige onder de Volkeren”, omdat zij tijdens de Tweede Wereldoorlog een of meer Joden voor deportatie door de nazi’s hebben behoed door hen bij zich thuis te laten onderduiken. Wereldwijd zijn er 26.120 mensen onderscheiden voor het redden van Joden.

    Ik hoop dat Yad Vashem en onze Regering ook nog eens erkenning geeft aan de Jood Friedrich Weinreb die ook vele honderden Joden het leven redde, toen met een Sperre. Ik ben een groot bewonderaar van hem na het lezen van zijn spannende boek 3 delen: Collaboratie en Verzet. 1940-1945. Een poging tot ontmythologisering, onder redactie van wijlen Renate Rubinstein. Weinreb schreef ook een boek over zijn periode in de gevangenis als vermeend collaborateur: De Gevangenis – Herinneringen 1945-1948

    Mede door deze onbegrepen Jood die in zijn boek: Letters van het leven, mij liet zien dat heel de Bijbel een Schepping Gods is, ben ik de Bijbel anders/beter gaan lezen. Zie zijn boek: De Bijbel als schepping.

    Dick Houwaart schreef een Witboek over Weinreb. De staatssecretaris Aad Nuis D66 heeft zich eveneens lange tijd ingezet voor eerherstel van F. Weinreb.

    Misschien is de tijd nu ook rijp voor erkenning en verfilming van zijn ongeëvenaarde Verzetsdaden ook al “collaboreerde” hij volgens Justitie hiervoor met de Duitsers.

    • Friedrich Weinreb was geen verzetsman. In 1976 publiceerde het Rijksinstuut voor Oorlogsdocumentatie een rapport waarin werd vastgesteld dat Weinreb gecollaboreerd had. Dit rapport is vaak aangevallen, o.a. door Aad Nuis, maar de conclusies van het onderzoek zijn nooit overtuigend weerlegd.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*