De Japanse consul

Duizenden Joodse gezinnen zaten in de zomer van 1940 radeloos vast in Oost- Europa. Door het handelen van een Nederlandse en een Japanse diplomaat kwam een onverwacht veilig heenkomen in zicht: Japan.

Toen hij moest vertrekken stempelde hij nog visa af die hij de achtergebleven Joden door het treinraampje toewierp. Zo lang hij kon, wilde Sugihara een vluchtroute naar Japan blijven bieden.” Archivaris Masaaki Shiraishi van het Japanse ministerie van Buitenlandse Zaken vertelt op droge toon het bijzondere verhaal van Chiune Sugihara. In een paar maanden tijd redde deze Japanse diplomaat duizenden levens door, tegen instructies van Tokio in, onvermoeibaar reisdocumenten voor Japan te verstrekken aan Joden.

Misschien leek het de diplomaat Sugihara wel een saaie baan; consul namens Japan in het kleine Litouwse handelsstadje Kaunas. Maar hij trof bij aankomst in 1939 een reusachtige humanitaire crisis, letterlijk op de stoep van zijn consulaat. Een grote stroom Joodse vluchtelingen uit Oost-Europa streek in de stad neer. Op de vlucht voor de troepen van Hitler klopten ze bij diplomaten in Kaunas aan, hopend dat íémand hulp kon bieden. Nergens kregen zij gehoor, maar Sugihara en zijn Nederlandse collega Jan Zwartendijk wilden gezamenlijk wel iets ondernemen.

Sugihara kon Joden een visum voor Japan verstrekken op voorwaarde dat de Joodse vluchtelingen doorreisden naar een ander land. Daar kwam de Nederlandse honorair consul Jan Zwartendijk om de hoek kijken. Zwartendijk gaf toestemming voor een doortocht naar Curaçao, waarop Sugihara een visum voor Japan verstrekte. Voor de Joodse vluchtelingen was duidelijk: aan de andere kant van de wereld hoefden ze niet te vrezen voor Hitlers moordmachine. Met een simpel bureaucratisch trucje redden Sugihara en Zwartendijk zo de levens van ongeveer zesduizend radeloze Joden.

Lees de rest van dit artikel in het NIW nr. 45