De grote ontworteling

BensoussanIn zijn vorig jaar verschenen boek Joden in Arabische landen beschrijft Georges Bensoussan hoe vaak eeuwenoude Joodse gemeenschappen verdwenen uit de Arabische wereld. Het NIW stelde hem mede naar aanleiding van de actualiteit vragen over de verhouding tussen Joden en moslims in het heden en verleden.

Bensoussan dook jarenlang in diverse archieven en bibliotheken zoals de omvangrijke goudmijnen van de Alliance Israélite Universelle in Parijs, de Franse diplomatieke archieven en zionistische archieven in Jeruzalem. Resultaat is een dikke pil die meteen een belangrijke rol vervulde en nog steeds vervult in het Franse publieke debat over de toenemende spanningen tussen Joden en moslims in Frankrijk, met als voorlopig dieptepunt de moordaanslag vorig jaar maart op een Joodse school in Toulouse. De Joodse Bensoussan werd zelf in 1952 geboren in Marokko, waar ook zijn familie vandaan komt. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van de Joden in Europa en publiceerde veel over antisemitisme, de Sjoa en het zionisme. Bensoussan verschijnt veel in de media en is hoofdredacteur van het Revue d’histoire de la Shoah dat verbonden is aan de Fondation pour la Mémoire de la Shoah. Deze stichting fi nanciert en initieert onder andere onderzoek op het terrein van de Sjoa en Joodse cultuur. In Joden in Arabische landen, de grote ontworteling 1850-1975, vooralsnog alleen in het Frans beschikbaar, probeert Bensoussan te begrijpen hoe Joden binnen één generatie vrijwel verdwenen uit Arabische landen. Hij verdiepte zich voor zijn onderzoek vooral in de geschiedenis van Marokko, Tunesië, Egypte, Libië en Jemen. Daarbij stuitte hij op verschillende factoren die voor een deel ook een rol spelen of doorwerken in de verhouding tussen Joden en moslims in het Europa van vandaag.

Waarom heet uw boek ‘Joden in Arabische landen’ en niet ‘Joodse Arabieren’?
„Er bestaan Arabisch sprekende Joden met een Arabische achtergrond die zichzelf ook Arabisch noemen. Maar sinds zij in de 20e eeuw door het opkomend Arabische nationalisme werden uitgesloten van de Arabische natie die toen in opbouw was, kunnen deze Joden niet meer worden aangeduid als ‘Arabische Joden’. Ze werden ‘Joden in Arabische landen’. Voor het hebben van een relatie zijn immers twee partijen nodig. De Joods-Arabische symbiose is in de 20e eeuw een mythe gebleken.”

In uw boek gaat u in tegen de mythe over de symbiose tussen Joden en moslims die eeuwenlang in diverse Arabische landen zou hebben bestaan. Tegelijkertijd schrijft u: ‘er is geen eeuwig antisemitisme in de Arabische wereld’. Toch beschrijft u in uw boek een diepgewortelde Jodenhaat die niet onder lijkt te doen voor de intensiteit van het antisemitisme ten tijde van Herzl in Europa. Hoe zit het nu met het antisemitisme in de Arabische wereld?
„Dat antisemitisme is in ieder geval niet hetzelfde als het Europese antisemitisme in de tijd van Theodor Herzl. Het is wel antisemitisme en het is vaak zelfs gewelddadig, maar het is in de eerste plaats gebaseerd op minachting van de Jood. Die is geen centrale fi guur in de Arabische islamitische wereld. Hij heeft er niet de rol van zondebok. Aan het eind van de 19e eeuw bestond daar niet iets als de in 1903 gepubliceerde Protocollen van de wijzen van Zion. De Arabische wereld wordt niet geobsedeerd door hersenspinsels als het Joodse wereldcomplot of Joodse rituele moorden, behalve in christelijke Arabische kringen. Er komen geweldsexplosies voor, zeer heftige zelfs, zoals de pogrom van Fez in Marokko in 1912, maar een verwoestende golf van pogroms zoals die in Oost-Europa woedde vanaf het begin van de 20e eeuw tot aan 1920, is er niet geweest.”

U schrijft dat de oorzaak van de uittocht van de Joden uit de Arabische landen – in tegenstelling tot weleens wordt beweerd – niet moet worden gezocht in het Israëlisch-Palestijns confl ict. Wat zijn wel de diepere oorzaken van deze uittocht?
„De uittocht heeft alles te maken met het feit dat de Joden zich emancipeerden en met de gelijktijdige blikvernauwing van de Arabische wereld. Het kolonialisme en het antikolonialisme werkten als een soort katalysator van dit proces. Het houdt allemaal verband met het doorbreken van de Verlichting in de oriëntaals-Joodse wereld. De emancipatie van de Joden was de Arabieren een doorn in het oog. De positie van de Joden werd steeds benarder door de politieke en demografi sche ontwikkelingen in de 20e eeuw, door de blikvernauwing van het Arabische nationalisme. Dat nationalisme kreeg een steeds etnischer karakter en schurkte tussen 1940 en 1945, maar ook daarna, zelfs regelmatig aan tegen het nazisme. En dat terwijl deze Joden behoorden tot de autochtone bevolking. Ze waren dieper geworteld in de Oriënt dan de Arabieren. Ze woonden er bijna allemaal al voor de komst van de islam in de 7e eeuw. Daar kwam vanaf de jaren 30 de invloed van het confl ict in Palestina bij. Vanaf dat moment werden de Joodse gemeenschappen in de Arabische wereld in gijzeling genomen door de Arabische machthebbers van de landen die in meerderheid na 1945 onafhankelijk waren geworden. De Arabische wereld heeft al met al de aansluiting met de moderne tijd gemist, wat de rancune jegens de Joden heeft versterkt en het complotdenken heeft gevoed. De Arabische samenlevingen zijn zich in de loop der tijd steeds meer gaan opsluiten in een slachtofferrol en een paranoïde wereldvisie. Israël, met zijn successen op economisch, technologisch en vooral op militair vlak, kwam in beeld als een voormalig overheerste die vrij man wordt. En wanneer de voormalig overheerste een staat sticht in een gebied dat met archaïsche en a historische gronden wordt beschouwd als een plek die sinds mensenheugenis Arabisch en islamitisch is, drijft dat de voormalige overheerser tot waanzin. In zijn waanzin houdt hij de staat Israël en daarmee ‘de Jood’ verantwoordelijk voor zijn eigen stagnatie en eigen mislukkingen.”

Onlangs kwam in Nederland het Turks antisemitisme in de publieke aandacht door een televisiedocumentaire waarin jongeren van Turkse a_ omst aangaven Joden te haten en de Sjoa toe te juichen. Kunt u iets zeggen over de historische positie van Joden in Turkije en de plek van antisemitisme in de Turkse cultuur?
„Ik denk dat je een onderscheid moet maken tussen de Turkse bevolking in Turkije en de van oorsprong Turkse bevolkingsgroepen in Nederland of elders in Europa. Het is duidelijk dat de reactie van deze Nederlandse jongeren van Turkse afkomst verband houdt met rancune jegens het Westen, gevoed door eigen maatschappelijke mislukkingen, wat ervoor zorgt dat zij zich keren tegen wat ze zien als een moreel cement van de westerse samenleving: de herinnering aan de Sjoa. Het is meer baldadigheid dan een zuivere uiting van antisemitisme. Er is wel sprake van antisemitisme, maar ik geloof niet dat het de hoofdzaak is bij deze jongeren van Turkse afkomst. Het Ottomaanse Rijk was doorgaans tolerant ten opzichte van zijn minderheden. In de 19e eeuw, van 1839 tot 1878, was het eerste landsbestuur in de islamitische Oriënt die de Joodse gemeenschap gelijke rechten gaf. Toch waren er in Turkije in de 20e eeuw uitbarstingen van antisemitisme en werden De protocollen van de Wijzen van Zion en Mein Kampf er bestsellers. Bovendien heeft Turkije tijdens de Tweede Wereldoorlog geen vinger uitgestoken om Joden te helpen. De Joodse gemeenschap in Turkije slinkt in hoog tempo de laatste vijftig jaar. Maar ze bestaat nog, net als de Joodse gemeenschap in Iran trouwens. Samen zijn ze de enig overgebleven grote Joodse gemeenschappen in de islamitische wereld, al zijn ze tegenwoordig niet meer dan een schim van wat ze eens waren.”

Beschouwt u de hiervoor genoemde antisemitische uitingen van de jongeren van Turkse afkomst als daadwerkelijk bedreigend? Hoe groot beschouwt u het gevaar dat hun woorden kunnen evolueren in geweld?
„Het is naïef om te denken dat een woord niet uiteindelijk zal leiden tot geweld. Geweld wordt altijd voorafgegaan door woorden, door een boodschap die de tegenstander diaboliseert en hem in de gedachtevorming verandert in een schadelijk element. Deze woorden zullen dus onvermijdelijk resulteren in geweld, misschien niet meteen, maar ze effenen het pad voor geweld. Dat is wel gebleken uit de situatie voorafgaand aan de volkerenmoord in Turkije tussen 1890 en 1915 en aan die in Duitsland of in Rwanda.”

Een andere minderheidsgroep waar antisemitisme een rol vervult zijn de Nederlanders van Marokkaanse afkomst. In uw boek besteedt u ook veel aandacht aan Marokko. De geschiedenis van de Joden in uw geboorteland wordt geregeld als voorbeeld genoemd van hoe Joden en moslims in harmonie met elkaar kunnen samenleven. Daarbij wordt dan ook vaak verwezen naar de rol van sultan Mohammed de Vijfde, die de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog zou hebben beschermd. Hoe kijkt u aan tegen de Joods-Marokkaanse geschiedenis?
„Ik besteed in mijn boek inderdaad veel aandacht aan Marokko. Ten eerste omdat de Joods-Marokkaanse gemeenschap de grootste is van alle Joodse gemeenschappen in de islamitische wereld. In 1945 woonde een op de vier Joden uit de islamitische Oriënt in Marokko. Het verhaal van de Joden in Marokko is een van de meest tragische, ondanks de hedendaagse mythe over de Joods-Arabische ‘Gouden Eeuw’. De situatie was weliswaar gunstig vanaf de jaren 30 in de grote steden, met name Casablanca en Rabat, en dan vooral voor de middenklasse. Maar die laat haar stem horen in de media, dus het verhaal dat het vroeger zo geweldig was in Marokko, komt van deze groep, die jong was in die tijd. Maar als je het vraagt aan degenen uit de lagere volksklasse, die massaal naar Israël is geëmigreerd, en vooral aan de mensen die ver van Casablanca en Rabat woonden, en als je je verdiept in de geschiedenis van voor 1930, dan ontdek je dat dat sprookje een mystificatie is waarbij veel verzwegen wordt. Hetzelfde geldt voor de mythes over de bescherming die de sultan van Marokko de Joden tijdens de oorlog zou hebben geboden. Dit hersenspinsel ontbeert iedere basis in de realiteit maar wordt grif geloofd in de Arabische wereld, en ook de Joden houden eraan vast, omdat het idee in de steek gelaten te zijn in bange tijden te verontrustend is. Maar dat was wel degelijk het geval in bijna de hele Arabische wereld tussen 1939 en 1945, want de meeste Arabieren stonden achter de asmogendheden [de alliantie tussen nazi-Duitsland, Italië en Japan].”

Hoe denkt u dat de verhouding tussen Joden en moslims in Europa zich zal ontwikkelen en hoe kijkt u aan tegen de toekomst van de Joden in Europa?
„Ik denk dat hier eerder demografische en sociale factoren spelen dan politieke, zoals het Israëlisch-Arabisch conflict. Europa bevindt zich vanuit sociaal oogpunt in grote problemen. De wrok groeit, de identiteitscrisis wordt steeds dieper. Grote islamitische minderheidsgroeperingen, die vaak slecht of helemaal niet geïntegreerd zijn, voeren een anti-Joodse propaganda die tegenwoordig vermomd is als kritiek op de staat Israël. Met name de Noord-Afrikaanse anti-Joodse sentimenten, die zeer aanwezig zijn in Frankrijk en België, maar ook in Nederland sinds de immigratie van Marokkanen, komen voort uit eeuwenoude cultuurverschillen en houden niet rechtstreeks verband met het Israëlisch-Palestijns conflict. Deze sentimenten zijn tegenwoordig zelfs sterker aanwezig onder de jongere generaties dan onder de generaties die in Noord-Afrika samenleefden met Joden. Kortom, op grond van een samenstel van factoren concludeer ik dat na de fatale klap die de Joodse bevolking van Europa is toegebracht door de Sjoa, inmiddels ook dat wat daar nog van over is in haar voortbestaan bedreigd wordt. Al met al ben ik er absoluut niet meer zeker van dat de Joden van Frankrijk en België nog een solide toekomst hebben in hun land.”

Juifs en pays arabes: Le grand déracinement 1850-1975, Georges Bensoussan. 976 pagina’s, uitgever: Editions Tallandier.