De grootste Joodse Nederlander

Geschilderd door: Nicolaas Maes, Collectie: Amsterdams Historisch Museum

Speciaal voor dit jubileumnummer spitte het NIW door de geschiedenis van Nederland, op zoek naar een antwoord op de vraag: welke Jood had de meeste invloed op de ontwikkeling van onze samenleving?  

De Nederlands-Joodse geschiedenis is ten minste zevenhonderd jaar oud. Volgens de Canon van 700 jaar Joods Nederland, van Tirtsah Levie Bernfeld en Bart Wallet (uitgegeven door Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum Crescas), begon die geschiedenis in 1295 met de Jodenstraat in Maastricht. In dat unieke overzicht zien we veel namen voorbijtrekken van belangrijke rabbijnen, bestuurders en instellingen die van levensbelang zijn geweest voor de geschiedenis van Joods Nederland. Maar in de loop der eeuwen zijn er ook Joden in de nationale geschiedenis geweest die van essentiële waarde waren voor het ontstaan en de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving als geheel en zelfs ver daarbuiten. In samenwerking met historicus Bart Wallet stelde het NIW voor deze jubileumuitgave een lijst samen van die invloedrijke burgers, om uiteindelijk aan u de keuze te laten: Wie is de grootste Jood van Nederland? Wij hebben deze lijst met de grootst mogelijke zorg en na de nodige discussie samengesteld, maar realiseren ons ook dat zo’n selectie altijd discutabel is. Mocht in uw ogen een zeer belangrijke naam ontbreken, stuur dan een e-mail met een korte biografie (maximaal 150 woorden) van die persoon naar redactie@niw.nl, zodat wij die in een latere editie van het NIW kunnen publiceren.

 

Francisco Lopes Suasso
geboorteplaats onbekend, rond 1657 – Den Haag, 1710

Als vertegenwoordiger van de Joodse adel financierde Suasso stadhouder Willem III met een enorm bedrag, waardoor het voor de prins van Oranje mogelijk werd om koning van Engeland, Schotland en Ierland te worden.

In Engeland regeerde de rooms-katholieke koning Jacobus II. Al eeuwen geplaagd door interne twisten tussen katholieken, protestanten en de Church of England, waren veel westerburen bang dat het rooms-katholicisme weer zou gaan overheersen. Het zou de geschiedenis ingaan als de Glorious Revolution, de greep naar de Britse kroon van stadhouder Willem III, aangespoord door zijn vrouw en nicht Maria, de dochter van Jacobus II. Zij zouden de enigen zijn die bij machte waren om het tij te keren, maar het ontbrak aan de gigantische fondsen die nodig waren voor zo’n militaire actie. Zo werd Francisco (Abraham Israel) Lopes Suasso, de tweede baron d’Avernas le Gras (een gebied in Brabant) bij het plan betrokken. De titel baron erfde Francisco van zijn schatrijke vader, Antonio (in Joodse kringen Isaac genoemd), die was geboren in Bordeaux en van de Spaanse koning Karel II de titel had gekregen uit dank voor diens diplomatieke diensten.

Geschilderd door: Nicolaas Maes, Collectie: Amsterdams Historisch Museum
Geschilderd door: Nicolaas Maes, Collectie: Amsterdams Historisch Museum

Twee miljoen gulden
Francisco was al jong betrokken bij de bankiersactiviteiten van zijn vader en na diens overlijden erfde hij de helft van het fortuin, dat voor een groot deel bestond uit aandelen in de Vereenigde Oostindische Compagnie. Over het precieze bedrag dat voor de coup is geleend verschillen de meningen. Het is in ieder geval zeker dat het om een som van toentertijd (!) tussen anderhalf en twee miljoen gulden ging. En Willem III was niet de enige die Suasso om hulp vroeg. Ook koningin Christina van Zweden liet haar fi nanciële zaken na haar abdicatie door hem behartigen. Toen Willem III voor de lening bij Suasso aanklopte waren er al warme banden tussen de Oranjes en de Suasso’s. Francisco was een graag geziene gast aan het hof. Volgens de overlevering zou hij bij de toezegging tegen de prins hebben gezegd: “Indien Gij gelukkig zijt, weet ik dat Gij ze mij terug zult geven, zijt Gij ongelukkig, dan stem ik ermee in ze verloren te hebben.”

 

Bank of England
De coup slaagde en de stadhouder werd koning. Ook de lening werd terugbetaald. De koninklijke kist waarin het geld werd vervoerd, is zelfs bewaard gebleven. En daar hielden de belangrijke contacten niet mee op. In 1694, het jaar van Willem III’s overlijden, kwam de Bank of England tot stand. Francisco’s zoon zou trouwen met de dochter van Moses Mendes da Costa, gouverneur van de bank. Suasso woonde overigens in zijn Haagse jaren in het stadspaleis, dat ooit had toebehoord aan Maarten Tromp. Het werd in de Tweede Wereldoorlog door een bombardement verwoest. Nu staat op die plek het ministerie van Financiën. Zijn huis is weggevaagd, maar vast staat wel dat dankzij Suasso de Nederlandse én Europese geschiedenis een andere wending nam.

 ‘Indien Gij gelukkig zijt, weet ik dat Gij ze mij terug zult geven, zijt Gij ongelukkig, dan stem ik ermee in ze verloren te hebben’

 

Baruch Spinoza
Amsterdam, 1632 – Den Haag, 1677

Deze zoon van een Portugese koopman in zuidvruchten en olijfolie groeide uit tot een van de grootste filosofen van de vroegmoderne tijd en heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de Verlichting en het westerse denken.

Het feit dat Baruch Spinoza de gemoederen nog steeds bezighoudt, dat er anno 2015 nog altijd debatten over zijn gedachtegoed worden gevoerd en fi lms over hem worden gemaakt, bewijst hoe groot zijn invloed is geweest op het westerse denken en daarmee ook op onze samenleving. De explosiviteit van zijn fi losofi e blijkt uit het feit dat zijn werken twee eeuwen lang verboden bleven omdat ze zouden leiden tot atheïsme. Voor Spinoza was er maar één wet, en dat was die van de rede. Hij had respect voor de profeten zoals die bekend waren uit de Tenach en de Bijbel, maar hij weigerde te accepteren dat ze namens God spraken. Inzicht in de natuur was voor hem een verdieping van de kennis van God. God en de natuur waren voor hem hetzelfde. Hij was een tegenstander van de absolute monarchie, omdat macht nooit mocht worden toevertrouwd aan slechts een persoon. In zijn Tractatus theologico-politicus pleitte hij voor een onafhankelijke gerechtelijke macht (een eeuw voor Montesquieu). Het boek werd verboden.
Espinosa

De absolute waarheid
Over Spinoza’s privéleven weten we maar weinig. Meningen daarover berusten op speculatie. Wel liet hij veel brieven en werken na die goed inzicht geven in zijn denken. Hij correspondeerde met grote denkers als Christiaan Huygens. Een enkele vertrouweling van Spinoza verdween zelfs achter slot en grendel, naar verluidt omdat hij met Spinoza in contact stond. Hoewel hij een Joodse opvoeding kreeg, begon hij al vroeg te twijfelen of de Tora rechtstreeks van God kwam, of geschreven was door de mens. Het was dus al snel duidelijk dat hij op ramkoers met de rabbijnen lag, ook omdat hij grote vraagtekens zette bij het werk van Maimonides. Twee jaar na de dood van zijn vader in 1654, die een vrijwel failliet bedrijf naliet, kreeg hij dan ook een cherem (ban) opgelegd. Heel intellectueel Europa was inmiddels op zoek naar de absolute waarheid, in dat licht is Spinoza ook een kind van zijn tijd.

Goethe, Nietzsche en Einstein
In een klein huisje in Rijnsburg schrijft hij de eerste versie van zijn Ethica. Er zullen nog veel versies volgen en de eerste druk zal pas na zijn dood in 1577 verschijnen. Hij loopt voortdurend op het randje van het toelaatbare. Hij woont in Den Haag wanneer in 1672 de gebroeders De Witt worden gelyncht en is daardoor zo geschokt dat hij een pamfl et schrijft: Ultimi Barbarorum. Gelukkig weten vrienden te voorkomen dat hij het openbaar maakt, want het had hem zeker zijn leven gekost. Sommigen zien in hem de eerste echte atheïst, hoewel hij dat zelf altijd heeft ontkent. Hij was ervan overtuigd dat niet egoïsme het voornaamste obstakel was voor een goed en deugdzaam leven, maar onwetendheid. Grote bewonderaars van zijn gedachtegoed waren Goethe en Nietzsche. Ook Albert Einstein had enorme bewondering voor zijn abstracte godsbeeld. De wetenschapper liet zich door hem zelfs inspireren tot een gedicht. We zien nu pas hoezeer het denken van Spinoza invloed heeft gehad op onze ‘typisch Hollandse’ tolerantie. Baruch Spinoza is opgenomen in de Canon van Nederland.

Hij begon al vroeg te twijfelen of de Tora rechtstreeks van God kwam, of geschreven was door de mens

 

Hartog de Hartog de Lémon
Amsterdam, 1755 – Amsterdam, 1823

Hartog de Lémon was arts en politicus. Na uitvaardiging van het emancipatiedecreet namen zijn vriend Herman Bromet en hij als eerste Joden in Europa zitting in een parlement. Hij was adviseur van Napoleon maar ook voorstander van Nederlandse onafhankelijkheid.

In het boek De weg uit het getto van Michael Goldfarb is bijna stap voor stap te lezen hoe de gelijkstelling van Joden met andere Franse burgers na de revolutie een dubbeltje op z’n kant is geweest. Bijna was ‘Liberté, egalité, fraternité’ voor alle burgers opgegaan, behalve voor de Joden. Uiteindelijk zegevierde het gelijkheidsprincipe en dat was het startsein voor Europese Joden om zich op alle mogelijke maatschappelijke terreinen te profileren, waarmee de emancipatie in heel Europa een grote stap voorwaarts zette. Een rechtstreeks gevolg van dat emancipatiedecreet (1796) was dat twee jaar later twee Joden, Herman Bromet (zie de ‘eervolle vermeldingen’) en armenarts Hartog de Hartog de Lémon zitting konden nemen in het toenmalige Nederlandse parlement, de Tweede Constituerende Nationale Vergadering. Zij waren de eerste Joden die zitting kregen in een parlement in een Europees land. Het was een unieke ontwikkeling.

Doctor_Hartog_de_Hartog_Lemon

Voorstander van Nederlands
Hartog de Lémon, eerste van vijf kinderen van een goed gesitueerde koopman, stond op gespannen voet met de bestuurders van de conservatieve Joodse gemeenschappen. Waar zij alles bij het oude wilden laten, ijverde Hartog de Lémon als leider van de Haskala-beweging, de Joodse Verlichting, voor een geïntegreerd jodendom met behoud van de eigen identiteit. Zo vond hij dat het Jiddisj als spreektaal plaats moest maken voor de nieuwe nationale taal, het Nederlands. Hartog de Lémon was armenarts voor de asjkenazische gemeenschap, maar ook voor arme christenen, totdat hij werd ontslagen omdat hij de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger’, uitgevaardigd door het Franse parlement, wilde laten voorlezen in sjoel. Hij richtte met een aantal gelijkgestemden de nieuwe gemeente ‘Adath Jessurun’ op, maar koning Lodewijk Napoleon eiste een jaar of tien later dat de beweging zich zou verzoenen met de oudere gemeenschappen. Er kwam een overkoepelende organisatie die een toerbeurtsysteem had voor het voorzitterschap. Hartog de Lémon vervulde die functie vaker dan zijn conculega’s.

Orangistische’ sympathieën
Hartog de Lémon vocht tegen allerlei vooroordelen. Zo was hij teleurgesteld om te ontdekken dat ondanks de gelijkstelling voor de wet, diverse organisaties daar nog heel anders over dachten. Hij werd aangedragen als lid van een Loge van Vrijmetselaars, maar dat stuitte op te veel weerstand. Ook schreef hij dat ‘zelfs in verligte genootschappen als de Maatschappij tot nut van het Algemeen en Felix Merites de animo om Joden als hun gelijken te bejegenen buitengewoon gering is’. In 1806 werd hij met zijn schoonzoon door Napoleon naar Parijs ontboden. De keizer wilde een Joods equivalent van de Rooms-Katholieke kerk opbouwen. Maar de liefde bekoelde al snel toen Hartog de Lémon in de laatste jaren van Napoleon werd beschuldigd van ‘Orangistische’ sympathieën. Hij ziet hoe arme Nederlandse Joden de grootste slachtoffers zijn van het wanbeleid van Napoleon. Het kwam hem op twee jaar celstraf in Amiens te staan. Na zijn vrijlating door Lodewijk XVIII in 1814 schreef hij een pamflet ter verdediging, waarin hij ontkende dat er sprake was geweest van enige samenzwering.

 

Hartog de Lémon vocht voor integratie van de Joden met behoud van eigen identiteit

 

Abraham Carel Wertheim
Amsterdam, 1832 – Amsterdam, 1897

Er zijn maar weinig maatschappelijke vlakken waar Abraham Wertheim zich niet mee heeft bemoeid. Hij hoorde bij de kring van zeer geëmancipeerde en actieve Joden die in de 19e eeuw enorm veel gedaan hebben voor de ontwikkeling van Nederland.

Deze oudste zoon van een juwelier uit Zaandijk die eerste helft 19e eeuw naar Amsterdam was getrokken, groeide op in een tijd waarin de industriële revolutie naar Engels voorbeeld tot volle bloei kwam. Hoewel de vader van Abraham niet onbemiddeld was, was het voor hem financieel onmogelijk om zijn oudste zoon een klassieke opvoeding te bieden. Daarom begon Abraham als dertienjarige te werken in het bedrijf van zijn oom Johannes, die al snel zag dat jr. grote aanleg had voor zaken, vooral investeringen. In de avonden werd het gebrek aan opleiding bijgespijkerd met privélessen, ook in vreemde talen. Hij bleek vooral geïnteresseerd in Engelse, Franse en Duitse literatuur. Na een korte periode bij een internationaal bankiershuis keerde Abraham terug naar het bedrijf van zijn oom, die inmiddels een samenwerking was aangegaan met een bevriende zakenman. Na de terugkomst van de jonge Abraham braken gouden tijden aan voor investeringsbedrijf Wertheim & Gompertz. Wertheim was 21.
Abraham Wertheim ansicht

Handelsbanken en spoorwegen
Als progressief liberaal ondernam Wertheim legio initiatieven om Nederland op te laten gaan in de vaart der volkeren. We kunnen deze hele pagina gebruiken om zijn bestuursfuncties en wapenfeiten op te noemen, maar zullen het houden bij een paar opmerkelijke en herkenbare voorbeelden. Wertheim bevorderde onder meer de Nederlandse Stoomvaart, de Nederlandse Spoorwegen en had ook bemoeienis met de Amerikaanse Spoorwegen. Hij was medeoprichter van het Burgerziekenhuis en van de Handwerkers Vriendenkring, die de emancipatie van de Joodse arbeider voorstond. Ook werkte hij mee aan de oprichting van de Nederlandsch-Indische Handelsbank, de Nederlands-Indische Spoorwegmaatschappij en bij de Amsterdamsche Bank, waarvan zijn vriend Frederic Salomon van Nierop directeur werd, en dat later door fusies zou uitgroeien tot de ABN AMRO. Ook was hij lid van het bestuur van de Vereeniging voor den Effectenhandel en voorzitter van de Zuiderzeevereniging. Hij steunde de bouw van het Centraal Station en de Stadsschouwburg, die in rap tempo werd herbouwd nadat de oude schouwburg in 1890 in vlammen was opgegaan.

Voorzitter NIHS

Als groot lie”ebber van de kunsten, met enige eigen aspiraties, ondersteunde hij allerlei toneelverenigingen en de ontwikkeling van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Hij was betrokken bij de oprichting van de Toneelschool en met de latere burgemeester Van Tienhoven richtte hij Het Amsterdamsche Toneel op. Hij was ook actief in de politiek. Als liberaal was hij eerst lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland, was consul van Saksen-Coburg en nam zitting in de Eerste Kamer. Ook voor de Joodse gemeenschap betekende hij veel. Als vrijmetselaar was hij jaren voorzitter van de NIHS en steunde veel Joodse verenigingen. Een gevleugelde uitspraak van hem was: ‘Een Jood in de synagoge en een burger op straat.’ Kort na zijn dood in 1897 werd een nieuw park, in het hartje van de Joodse buurt, geopend dat naar hem werd vernoemd.

Een gevleugelde uitspraak van hem was: ‘Een Jood in de synagoge en een burger op straat’

 

Tobias M.C. Asser
Amsterdam, 1838 – Den Haag, 1913

Asser was de grondlegger van de moderne wetenschap van het internationaal privaatrecht, minister van Staat en in 1911 de eerste Nederlander die een Nobelprijs won; die voor de Vrede.

Tobias Asser kwam uit een toonaangevend Joods geslacht met veel voorname juristen. Zijn oom was M.H. Godefroi (zie de ‘eervolle vermeldingen’), die minister van Justitie was. Hoewel zijn vader en oom ook prominente leden van de Joodse gemeenschap waren, brak Asser rond 1890 met het jodendom. Al in 1856 werd duidelijk dat hij een briljante geest was, toen hij een gouden medaille haalde voor een door de Leidse Universiteit uitgeschreven prijsvraag. Als jurist hield hij zich bezig met veel internationale zaken, en hij was een geliefd hoogleraar op het Athenaeum Illustre in Amsterdam, dat in 1877 de Universiteit van Amsterdam zou worden. Zijn populariteit dankte hij vooral aan zijn praktijkgerichte colleges. Juridische kwesties loste je volgens hem niet op aan de studeertafel, maar vooral met diplomatiek inzicht. Hij stond bekend als een eenvoudige, altijd wat gehaaste en enigszins gesloten man. Eigenzinnig was hij ook. Zo bleef hij alás professor zijn professie als advocaat uitoefenen, wat zeer ongebruikelijk was.

Tobias Asser

De tijdsgeest tegen
In 1864 werd hij commissaris bij De Nederlandsche Bank en hij adviseerde het ministerie van Buitenlandse Zaken in diverse internationale kwesties. Zo maakte hij deel uit van de Nederlandse delegatie op de Congo en nam deel aan de Suezkanaal-conferenties. Als het om de internationale rechtsorde ging, was Asser onvermoeibaar. En dat was bijzonder, want hij had de tijdsgeest tegen zich, dit was immers de periode waarin het nationalisme vol in opkomst was. Hij dankt zijn roem vooral aan zijn aandeel in de codificatie van het internationaal privaatrecht, en organiseerde diverse conferenties die de internationale samenwerking bevorderden. Hij wist daarbij door flexibiliteit en tact altijd resultaat te boeken. In 1893 werd hij lid van de Raad van State. Tijdens diverse vredesconferenties in Den Haag was hij een van de drijvende krachten achter diverse vreedzame oplossingen voor internationale geschillen, zo was hij bijvoorbeeld de arbiter in een Russisch-Amerikaanse controverse.

Enige Nederlander
In 1904 werd hij minister van Staat en in 1911 kreeg hij als eerste Nederlander een Nobelprijs, en het was meteen de meest prestigieuze: voor de Vrede, met name vanwege zijn rol bij het tot stand komen van het Permanent Hof van Arbitrage op de Vredesconferentie in 1899. Hij is de enige Nederlander die deze eer ooit te beurt viel. Hij schonk het grootste deel van het geld aan de oprichting van de Volkenrechtelijke Bibliotheek die vanaf 1923 in het Vredespaleis te vinden was. Hij was toen al in het bezit van diverse eredoctoraten, zoals in Berlijn, Bologna en Cambridge. Asser werd vooral geroemd om zijn enorme diplomatieke gaven. Hij werd daarbij geholpen door het feit dat veel landen Nederland als een neutrale partij zagen in veel internationale conflicten. Ons land speelde in die tijd een zeer beperkte internationale rol, stond bekend als ‘ingedut’, wat wellicht in Assers voordeel werkte. Hij overleed in de zomer van 1913. De begrafenisstoet reed langs het Haagse Vredespaleis, dat een maand later zou worden geopend. Het internationale juridische kader dat hij schiep, was van dusdanig belang dat organisaties als de Volkerenbond en later de Verenigde Naties mede dankzij zijn inspanningen konden worden opgericht.

Juridische kwesties loste je volgens hem niet op aan de studeertafel, maar met diplomatiek inzicht

 

Aletta Jacobs
Sappemeer, 1854 – Baarn, 1929

Zij was als eerste vrouwelijke arts en feministe de grootste voorvechtster op het gebied van geboortebeperking, vrouwenrechten en het vrouwenkiesrecht.

Aletta Henriëtte Jacobs kwam uit een gezin met elf kinderen, haar vader was een vrijzinnig-Joodse heel- en vroedmeester en stimuleerde haar al vroeg zich zo veel mogelijk te ontwikkelingen. Aletta was in 1870 de eerste vrouw die (als toehoorster) werd toegelaten op de HBS, en een jaar later mocht zij met speciale permissie van Thorbecke medicijnen gaan studeren aan de Groningse Universiteit, in eerste instantie voor een proefperiode van een jaar. Het was minister Thorbecke die haar vlak voor zijn dood ook toestemming gaf om examen te doen. Ze slaagde en promoveerde, waarna ze een huisartsenpraktijk in Amsterdam begon. Daar legde zij zich onder meer toe op geboortebeperking, een zeer omstreden praktijk in die tijd, gaf gratis spreekuren om geboortebeperking te bevorderen en schreef voorlichtingsboeken over het vrouwenlichaam. Maar ook op andere terreinen was ze activistisch. Ze streed zij voor betere arbeidsomstandigheden van vrouwen, zeker die in staande beroepen, en ook op politiek vlak roerde ze zich.

Geschilderd door: Isaac Israels
Geschilderd door: Isaac Israels

Vrouwenkiesrecht
In 1883 begon ze haar strijd voor het vrouwenkiesrecht. Als afgestudeerd arts kwam zij in aanmerking voor stemrecht, als ze een man zou zijn geweest. Ze voldeed aan de eisen: haalde de loongrens. Ze streed tot aan de Hoge Raad, maar verloor. Bij de Grondwetswijziging van 1887 werd actief en passief kiesrecht alleen aan mannen toegekend. Jacobs liet het er niet bij zitten. Ze werd voorzitster van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en met haar man, Carel Gerritsen, was ze betrokken bij de oprichting van de Vrijzinnig Democratische Bond, waarvan ze hoofdbestuurslid werd. Dit was een progressieve partij die later zou opgaan in de Partij van de Arbeid (een aantal leden voegden zich in die tijd ook bij de liberalen). Overigens, toen ze met Gerritsen in het huwelijk trad en daarbij gehoorzaamheid aan haar man moest zweren, deed ze dat wel, maar onder protest.

Verplichte kost
Jacobs spreidde haar vleugels uit en werd ook internationaal een invloedrijke figuur in de strijd voor vrouwenrechten en het vrouwenkiesrecht in het bijzonder. Ze bezocht daarvoor zelfs de Amerikaanse president Wilson in de hoop dat hij druk zou kunnen uitoefenen op de verschillende regeringen in Europa. Het duurde tot 1919 voordat het actief vrouwenkiesrecht in Nederland in de wet werd vastgelegd, maar daarmee was de strijd natuurlijk nog helemaal niet gestreden. Zij bleef zich tot aan haar dood inzetten voor gelijkstelling van man en vrouw. Als beroemdste Nederlandse leidster van de eerste feministische golf maakt Jacobs deel uit van de Canon van Nederland en haar strijd is verplichte kost bij de leergang geschiedenis op het voortgezet onderwijs. In 2013 werden bewegende beelden van haar ontdekt, wandelend in Berlijn.  

Toen ze gehoorzaamheid aan haar man moest beloven tijdens de huwelijksplechtigheid, deed ze dat wel, maar onder protest

 

Henri Polak
Amsterdam, 1868 – Laren 1943

De achturige werkdag en vakantiedagen hebben we te danken aan vakbondsman Henri Polak. Ook was hij een van de ‘twaalf apostelen’, de oprichters van de SDAP, voorloper van de PvdA.

Het was in Londen waar de sociaaldemocratische ideeën van Henri Polak vorm kregen. Hij was daar in 1888 naartoe getrokken na een ruzie met zijn vader. Bij terugkomst in Amsterdam werd de diamantwerker lid van de Sociaal Democratische Bond. In 1892 namen hij en een aantal geestverwanten de wegkwijnende Nederlandse Diamantwerkers Vereniging over, die al snel werd omgevormd tot de Algemene Nederlandse Diamantwerkers Bond (ANDB), met als eerste voorzitter Henri Polak. Polak liet meteen zien dat hij een modern vakbondsman was: niet staken maar belangenbehartiging, het verbeteren van de arbeidsomstandigheden en positie van de arbeiders waren zijn doel. Bovendien betaalden de diamantwerkers contributie, waardoor het mogelijk werd een bezoldigd bestuur aan te stellen om hun belangen te behartigen, een blad uit te geven en een stakingskas op te bouwen. Toen in 1903 de Nederlandse Vakvereniging werd opgericht, de NVV, de voorloper van het huidige FNV, was het niet meer dan logisch dat Polak daar voorzitter van werd. In 1910 kregen arbeiders door bemoeienis van de ANDB voor het eerst een week vakantie, in 1911 werd de achturige werkdag ingevoerd.

Geschilderd door: Johan van Caspel
Geschilderd door: Johan van Caspel

Verheffing
Zonder onderwijs, zonder opvoeding, zonder cultuur [zal de arbeider] nooit de eigenschappen bezitten, die hem den onontbeerlijken gemeenschapszin zullen brengen en hem zullen maken tot den socialistisch denkenden en handelenden mensch, die de nieuwe gemeenschap scheppen en besturen zal,’ aldus Polak in 1920. Naast het verbeteren van de werkomstandigheden van de arbeiders vond het vakbondsbestuur ook verheffing van de arbeidersklasse een uiterst belangrijk punt. Polak bleef zich zijn hele leven inzetten voor de culturele ontplooiing van de arbeiders. Daar de grote meerderheid van de Amsterdamse diamantwerkers Joods was, vervulde Polak ook een belangrijke rol in de emancipatie van de Nederlandse Joden, waardoor zij een weg uit het getto en de armoede konden vinden. Polak werd door de Joodse arbeiders op handen gedragen, wat hem later de titel ‘rebbe van de diamantwerkers’ zou opleveren. Toch was de ANDB geen Joodse vakbond, integendeel. Polak stond erop dat de ANDB niet gemonopoliseerd zou worden door een groep.

Politiek
Naast vakbondsbestuurder was Polak ook altijd politiek actief. Hij hoorde bij de zogenaamde ‘twaalf apostelen’, de oprichters van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij en bleef jarenlang actief in de partij, onder meer in het partijbestuur. Hij was de eerste sociaaldemocraat die zitting had in de Amsterdamse gemeenteraad en zat in zowel de Eerste als de Tweede Kamer. In juni 1932 kreeg Polak van de Universiteit van Amsterdam een eredoctoraat voor zijn ‘maatschappelijke verdiensten van de wetenschap’. Niet slecht voor iemand die op zijn dertiende al van school had gemoeten om de kost te gaan verdienen als diamantwerker. Polak verhuisde uiteindelijk naar het kunstenaarsdorp Laren. Ziekte velde hem in 1943, waardoor hem een vreselijker lot bespaard bleef.

Polak werd door de Joodse arbeiders op handen gedragen, wat hem de titel ‘rebbe van de diamantwerkers’ opleverde

 

Loe de Jong
Amsterdam, 1914 – Amsterdam, 2005

Met zowel de televisieserie De Bezetting als het standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog heeft De Jong het beeld van de Nederlandse oorlogsjaren voor altijd bepaald.

Al tijdens zijn studie sociale geografie en geschiedenis leek Loe de Jong voorbestemd om de journalistiek in te gaan. Hij was redacteur van het studentenblad Propria Cures en na zijn afstuderen werkte hij bij De Groene Amsterdammer. Na de Duitse inval in 1940 vluchtte hij met zijn vrouw naar Londen, waar hij verslaggever werd bij Radio Oranje. Zijn beide ouders, zusje en tweelingbroer overleefden de oorlog niet. Het hoofd van de regeringsvoorlichtingsdienst vroeg hem al snel een boekje te schrijven over Nederland onder de Duitse bezetting. Het werd in 1941 uitgegeven onder de titel Holland fights the Nazis. In 1944 wist De Jong de Londense Onderwijsminister Gerrit Bolkestein over te halen om na de oorlog een rijksinstituut voor Nederlandse oorlogsgeschiedenis op te richten. Ook in bezet Nederland was een aantal hoogleraren, Jan Romein en Nicolaas Posthumus (bij wie De Jong nog college had gevolgd), op hetzelfde idee gekomen. Op 15 september 1945 zag het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) het licht, met De Jong als directeur, een functie die hij tot 1979 zou bekleden.

LdeJong_12delencompleet_0

Reeks
Een van de taken die het RIOD op zich zou nemen was de productie van een boekenreeks over Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De klus werd uitbesteed aan vier ervaren historici, maar die gaven de opdracht wegens gebrekkige samenwerking terug. Zij stelden voor dat De Jong het werk zelf zou schrijven. Van minister Cals van Onderwijs, die op de centjes moest letten, moest het geheel in 1961 worden afgerond. De Jong zou er uiteindelijk tot 1988 aan werken. Hij begon pas met schrijven in 1967, nadat hij jarenlang informatie had vergaard. In 1960 dacht De Jong nog dat hij zou verdrinken in de hoeveelheid materiaal. Het maken van de televisieserie De Bezetting, uitgezonden van 1960 tot 1965, hielp hem op weg: “De serie bracht structuur aan in mijn onderzoek. Ik werd gedwongen met te beperken teneinde de vier programma’s die jaarlijks van mij verwacht werden op tijd gereed te hebben.” De gebeurtenissen van de jaren ’40-’45, die gedurende de wederopbouw waren verdrongen, kregen dankzij deze televisieserie voor het eerst ruime aandacht. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog zou uiteindelijk veertien delen beslaan waarvan De Jong er dertien schreef.

Kritiek
Het Koninkrijk kreeg veel kritiek. Het zou te veel uitgaan van de begrippen ‘goed’ en ‘fout’, te Oranjegezind zijn en de omvang van het verzet overschatten. Ook bij de Indische gemeenschap in Nederland kon hij op kritiek rekenen vanwege zijn eenzijdige blik op het kolonialisme. Feit blijft dat er in andere Europese landen nooit een vergelijkbaar werk is verschenen en dat De Jong zowel met De Bezetting als met Het Koninkrijk het beeld van Nederland in de oorlogsjaren heeft bepaald.

In 1960 dacht De Jong nog dat hij zou verdrinken in de hoeveelheid materiaal

 

Anne Frank
Frankfurt am Main, 1929 – Bergen-Belsen, 1945

Als je het over invloedrijke Nederlandse Joden hebt, kun je niet om het meisje heen dat niet alleen het symbool voor de Jodenvervolging werd, maar dat de mensheid nog altijd moet leren over uitsluiting, discriminatie, racisme en tolerantie.

Geboren in het Duitse Frankfurt am Main komt Anne met haar ouders en oudere zus Margot in 1934 naar Amsterdam. Op haar dertiende verjaardag, het is dan 1942, krijgt ze een dagboek. Ze vertrouwt denk – beeldige vriendin ‘Kitty’ alles toe. Als haar zuster Margot wordt opgeroepen voor deportatie besluit het gezin onder te duiken in het pand waar het bedrijf van vader Otto is gevestigd. Het kantoorpersoneel zorgt voor het gezin en de andere onderduikers die zich bij hen voegen. Het gezin wordt verraden (nog altijd is niet zeker door wie) en via Westerbork naar Auschwitz-Birkenau vervoerd. Waarschijnlijk maken Anne en haar zuster Margot deel uit van een transport naar Bergen-Belsen in oktober 1944. In februari overlijdt Anne daar. Niet duidelijk is precies wanneer; in het kamp heerst op dat moment chaos.

1942-anne-frank

Idealen
Otto Frank overleeft als enige uit het gezin de kampen en ontvangt van Miep Gies de dagboeken van zijn dochter. Hij besluit ze uit te geven en in 1947 verschijnt de eerste Nederlandse editie van Het Achterhuis. In 1950 volgen een Duitse en Franse versie, in 1952 de Engelse. In 1955 wordt het door een Amerikaanse toneelbewerking wereldberoemd. Haar dagboek wordt in 55 talen vertaald en er worden meer dan 25 miljoen exemplaren van verkocht. Op 3 mei 1960 gaat het Anne Frank Huis officieel open als museum. Het heeft een educatieve missie: het uitdragen van de idealen van Anne Frank. Het trekt tegenwoordig ruim een miljoen bezoekers per jaar.

Meer
Annes dagboek gaat over idealen, maar ook vooral over volwassen worden, verliefd zijn, een hekel aan je moeder hebben en, zoals dat gaat op die leeftijd, de zin van het leven. Maar van ambitieuze tiener werd ze symbool van alle slachtoffers van het naziregime. Op 15 juli 1944 schrijft Anne in haar dagboek: “Het is een groot wonder dat ik niet al m’n verwachtingen heb opgegeven, want ze lijken absurd en onuitvoerbaar. Toch houd ik ze vast, ondanks alles, omdat ik nog steeds aan de innerlijke goedheid van de mensen geloof.” Met name het tweede deel van deze zin wordt eindeloos aangehaald, met of zonder context, als voorbeeld: zo kan het ook. Over de hele wereld wordt Anne geëerd, in musea, in programma’s, in toneelstukken, en overal wordt ze ingezet in de strijd tegen discriminatie, racisme en uitsluiting. Uiteraard is daar ook kritiek op. Het verhaal van Anne is slechts een van miljoenen. Primo Levi schreef daarover: “Eén enkele Anne Frank ontroert ons meer dan de ontelbaren die net zo leden als zij, maar wier beeld in de schaduw is gebleven. Misschien moet dat ook zo zijn: als we het leed van alle mensen moesten en konden mee-lijden, zouden we niet kunnen leven.” Anne Frank is opgenomen in de Canon van Nederland.

Over de hele wereld wordt Anne ingezet in de strijd tegen discriminatie, racisme en uitsluiting

 

Sonja Barend
Amsterdam, 1940

‘Voor straks: lekker slapen, en morgen gezond weer op.’ Wie kent die woorden niet? En ze méénde het, dat zag je. De impact van Sonja Barend op de ontwikkeling van de Nederlandse televisie en de vrouwenemancipatie mag niet worden onderschat.

Googelt u het maar eens: ‘Sonja Barend’ en ‘Telestav’. Grote kans dat u nooit gedacht had Sonja Barend vloeiend Ivriet te horen spreken, maar in 1970 deed ze dat toch echt, op de door echtgenoot Ralph Inbar mede opgerichte Israëlische televisie. Het waren niet haar eerste schreden voor de camera. In 1966 was ze voor het eerst te zien als omroepster bij de NTS. Later presenteerde ze programma’s van Inbar zoals het populaire tienerprogramma Fenklup. Eind jaren 70 begon ze met haar wekelijkse talkshow, die onder verschillende titels (Van Sonja’s goednieuwsshow via Sonja op maandag, dinsdag, et cetera naar gewoon Sonja) ruim twintig jaar de huiskamers vulde in een tijd dat iedereen nog maar de beschikking had over een paar zenders. De kijkcijfers waren enorm. Evenals de impact.

Sonja Barend *26 september 1983
Sonja Barend
*26 september 1983

Rumoerig
In de Rode Hoed in Amsterdam kwam heel Nederland bij haar aan tafel zitten. In haar eigen woorden: “Schreeuwende pornobazen, verf spuitende feministen, homo’s en ook travestieten, hoeren, Marokkanen, Surinamers.” Eigenlijk alle minderheden. En het was vaak rumoerig. Niet in de laatste plaats omdat Barend haar eigen mening over onderwerpen niet onder stoelen of banken stak. Programmamaker en hartsvriendin Ellen Blazer, ‘het brein’ achter de shows (ze overleed in 2013), zei daarover: “Daar zat geen doorgeefluik, maar iemand die zat te jennen en te provoceren. Dat vonden veel kijkers heel vervelend, maar veel kijkers vonden het ook heel leuk.” De kritiek was dan ook stevig maar de mensen bleven kijken. Uitzendingen met meer dan vijf miljoen kijkers waren geen uitzondering. Want Sonja was taboedoorbrekend. Wie boven de veertig is kan het niet vergeten zijn: de man die, onder druk gezet door Barend om antwoord te geven, zijn Bugatti (auto) boven zijn vrouw verkoos. Maar ook had zij als eerste een homo in de uitzending, en profile, dat wel, zodat hij niet herkend zou worden. Ze maakte uitzendingen over blanken en zwarten en over pedofilie. Verdraagzaamheid jegens minderheden, opkomen voor zwakkeren, dat was de boodschap.

Groot
Dat engagement kwam voort uit haar eigen verleden. Haar vader, David Barend, werd opgepakt toen Sonja twee was. Hij kwam om in Auschwitz. Sonja, opgegroeid als Sonja de Groot, wist niet van zijn bestaan, tot ze een jaar of tien was en bij een tante ‘Sonja Barend’ op de verjaardagskalender zag staan. Op haar verjaardag, de 29e februari. “Je zou kunnen zeggen dat mijn hele leven van die oorlog is doortrokken,” zei ze in 1999 tegen Adriaan van Dis in Zomergasten. Na het pensioen van Ellen Blazer stopte ze met haar wekelijkse discussieprogramma en presenteerde vijf jaar lang met Paul Witteman dagelijks Barend & Witteman. Daarin was ze zakelijker, afstandelijker, maar ook milder. De kritiek is ondertussen verstomd. Ze wordt nu beschouwd als een van de grootste interviewers van de Nederlandse televisie. Adriaan van Dis kroonde haar tot ‘koningin van de talkshow’ (en ‘peetmoeder van de studiodiscussie’). Zij heeft de enorme betekenis gehad voor de Nederlandse televisie én samenleving. Er is inmiddels een award naar haar vernoemd voor de beste interviewer.

Sonja was taboedoorbrekend. Zo had zij als eerste een homo in de uitzending, en profile, dat wel, zodat hij niet herkend zou worden

 

Wie wint?
Hun bijdrage aan onze samenleving staat buiten kijf: zij beïnvloedden de Nederlandse maatschappij, en vaak tot ver daarbuiten, met hun politieke of zakelijke fi ngerspitzengefühl, vechtlust, unieke talent of simpelweg door achterlating van een dagboek. Wie is volgens u de belangrijkste Joodse Nederlander uit de geschiedenis? Breng uw stem uit op jubileum@niw.nl en maak kans op een cadeaubon van 50 euro. In het NIW van 4 december maken wij uw keuze bekend.

 

14 Comments

  1. Hartog de Hartog de Lemon,
    Zonder emancipatie van de Joodse gemeenschap waren andere bijdragen als van Polak, Asser of Aletta Jacobs niet mogelijk geweest 🙂

  2. Moeilijke keuze, ik had een vrouw willen kiezen, maar ik kies toch Henri Polak, die ongelooflijk belangrijk is geweest voor de Joodse en niet-Joodse arbeidersbeweging.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*