Bewaarders van de eeuwige grafrust

De Joodse begraafplaats in Winsum
De Joodse begraafplaats in Winsum
De Joodse begraafplaats in Winsum

Komende maand neemt het NIK afscheid van zijn enige beheerder van Joodse begraafplaatsen. Tegelijkertijd wordt een nieuw beheerplan gepresenteerd dat de eeuwigdurende grafrust op 136 oude Joodse begraafplaatsen in Nederland moet garanderen. 

De zon staat hoog in het Noord-Groningse landschap. In de weilanden rondom het kleine plaatsje Winsum – ten oosten van het Lauwersmeer – grazen koeien en scharrelen schapen. Langs een van de smalle uitvalswegen ligt, verscholen tussen een manege en een dikke rij loofbomen, de oude verlaten Joodse begraafplaats. Een groen ijzeren hek en een slootje moeten ongewilde bezoekers buiten houden. Niet dat er überhaupt veel bezoekers zijn. Het aantal per jaar is misschien op twee handen te tellen. De plek is vooral het testament van een verdwenen Joodse gemeenschap. Een grasveldje met zo’n vijftig matsevot, met namen als Benninga, Meijer en Van Geuns. De laatste persoon die hier begraven werd, was Roosje de Vries, overleden in 1941. Net als 135 andere oude Joodse begraafplaatsen in het land is de begraafplaats in Winsum eigendom van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK). „Wij zien het als onze morele plicht om voor de Joodse graven in Nederland te zorgen,” vertelt Peter Luzac, lid van de Permanente Commissie van het NIK. Samen met secretaris Ruben Vis is hij druk op zoek naar een nieuwe toezichthouder voor de begraafplaatsen nu de huidige consulent, Jacques Gans, met pensioen gaat. Een nieuw beheerplan moet er bovendien voor zorgen dat de eeuwige grafrust ook in de toekomst bewaard wordt. Want het beheren, inspecteren en onderhouden van 136 begraafplaatsen is geen gemakkelijke en goedkope klus. „Er schuilt natuurlijk een bepaald risico in het onderhoud van al die begraafplaatsen. Ook onze fondsen en reserves teren in,” zegt Luzac tijdens een gesprek met secretaris Vis in diens werkkamer in het Joods Cultureel Centrum in Amsterdam. „Daarom moeten we slimme oplossingen vinden.”

Verdwenen gemeenschappen
In de 19e eeuw telde ons land talloze Joodse gemeentes, van groot tot klein, van Farmsum tot Vaals. Bijna elke gemeente had een eigen sjoel en begraafplaats. Maar naarmate de tijd verstreek, vertrokken steeds meer Joden naar de grote stad. Tal van kleine kehilles kwamen daarmee te vervallen. De Tweede Wereldoorlog betekende uiteindelijk het einde van velen. Alleen de begraafplaatsen en de sjoels bleven achter. „In de meeste gevallen viel de begraafplaats onder de koepelorganisatie, oftewel het NIK,” zegt Ruben Vis. Want waar het onroerend goed, zoals een sjoel of een rabbijnwoning verkocht kon worden, moesten de begraafplaatsen in beheer blijven. „Joodse graven mogen simpelweg niet geruimd worden, want daarmee verstoort men volgens de Joodse traditie de eeuwige rust van hen die er begraven liggen.” Hoewel de gemeenschappen zijn verdwenen, zijn de begraafplaatsen nog steeds ‘in gebruik’. „Per jaar vinden er twee á drie levajot plaats. Niet per begraafplaats, maar in totaal,” zegt Luzac. „En naast de 136 plekken in eigendom, zijn er ook 34 begraafplaatsen die wij alleen inspecteren. Zo heb je bijvoorbeeld vlak bij Eindhoven, op het terrein van het oude psychiatrische ziekenhuis, een klein Joods hoekje op de patiëntenbegraafplaats. Maar twee levajot op 170 plekken per jaar is natuurlijk niks. En toch doen we het.” Deze week nog vond een teraardebestelling plaats op de oude Joodse begraafplaats in het Zeeuwse Zierikzee. Het was de eerste sinds 1947. Om de vele begraafplaatsen te onderhouden heeft het NIK een nieuw beheerplan gemaakt, waarbij alle plekken in Nederland zijn geïndexeerd. Van de staat van het metaheerhuisje tot eventuele scheuren in een stenen omheining. Alles is de afgelopen tijd in kaart gebracht door de vertrekkende consulent. Voor het onderhoud heeft het NIK zelf een ‘klein potje’ van zo’n 12.500 euro per jaar beschikbaar – dit naast de kosten van de functionaris belast met toezicht en beheer. „We hebben onlangs aan de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen gevraagd wat hun financiële maatstaven zijn bij het onderhouden van een graf. Zij kwamen terug met een bedrag van tien euro per graf per maand,” zegt Luzac terwijl hij de brief van het LOB laat zien. „Wij hebben zo’n 40.000 graven. Dat gaat hem gewoon niet worden.” „Een gewone begraafplaats is natuurlijk een bedrijf. Daar wordt omzet gedraaid,” vult Vis hem aan. „Af en toe worden graven geruimd, zodat er nieuwe doden kunnen liggen. Maar dat doen wij niet, wij bewaren alleen de grafrust. Dat betekent, even hard gezegd, dat wij er alleen maar geld instoppen. Het NIK is tenslotte een van de grootste beheerders van begraafplaatsen in Nederland. Het is een zware erfenis, maar wel één die wij met trots dragen.”

Keuzes
Het NIK staat dus voor belangrijke keuzes voor de toekomst. Wat te doen met een gescheurde muur? Een bouwvallig metaheerhuisje? Gebroken matsevot? „Dat moeten we per begraafplaats bekijken. In sommige gevallen moet je misschien kiezen om iets te slopen. Het kan, gedwongen door de financiële omstandigheden, niet anders,” zegt Luzac die de Joodse begraafplaats in Praag als voorbeeld geeft. „Daar wordt helemaal niks meer onderhouden. Alles staat schots en scheef. En juist dat wat je een authentieke situatie zou kunnen noemen, wordt daar gewaardeerd. Ik bedoel, het geeft aan welke kant het op kan gaan.” In Nederland wordt het in ieder geval van groot belang dat de begraafplaatsen goed omheind zijn. Aangezien veel begraafplaatsen maar voor een deel in gebruik zijn, komt het weleens voor dat er ongevraagd een stuk land wordt gebruikt. „Niet elke begraafplaats is ommuurd. Zo hebben we een begraafplaats in de Achterhoek die midden in een weiland ligt. De plek is met paaltjes aangegeven,” zegt Vis. „Stel nou dat een boer denkt, ik verleg er gewoon een paar. Zoiets kan. Het is gebeurd in Klundert, waar een bejaardenhuis een uitbouw over onze erfgrens had getekend. Daar moet je bovenop zitten. De begraafplaatsen werden in de 19e eeuw, ver buiten de stad aangelegd. Maar de bebouwing is snel opgerukt. Je moet dus constant opletten.” Het losweken van fondsen – zowel binnen het NIK als daarbuiten – is een stap die genomen moet worden om de graven te beschermen. Daarnaast krijgt Joods Nederland veel handreikingen van lokale initiatieven en andere niet-Joodse vrijwilligers. Zo helpt de christelijke Stichting voor Boete en Verzoening al sinds de jaren 80 met het opknappen van verschillende begraafplaatsen. Dit jaar staan Tiel, Culemborg, Wijk bij Duurstede, Zaltbommel, Veenendaal en Geffen op het programma. Het groenonderhoud wordt in de meeste gevallen al opgevangen door lokale gemeenten. „De grondslag daarvan is ruil geweest,” zegt Vis. „Na de oorlog kreeg het NIK veel onroerend goed in de schoot geworpen. In veel gevallen is dat verkocht aan lokale gemeenten met de deal dat zij de begraafplaats zouden onderhouden. Niet dat er voor het NIK toen veel keus was. Niet alleen was het financieel niet op te brengen, maar er waren gewoon geen kehillot meer. Het Joodse leven ter plaatse was verdwenen. Alleen de stenen stonden nog recht overeind.” Hoewel sommige begraafplaatsen in de loop der jaren een rijks- of gemeentemonument zijn geworden, blijven ook die poorten van de financiële zorg dicht. Want, zo legt Vis uit, de overheid wil alleen investeren als een monument een herbestemming krijgt. „Kijk bijvoorbeeld naar de Van Nellefabriek in Rotterdam. Die is helemaal gerestaureerd met overheidsgeld. In een voormalige sjoel kun je ook een museum vestigen, maar een begraafplaats, dat blijft een begraafplaats.” En een samenwerking met het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom – ook hun voorvaderen liggen op de NIK-begraafplaatsen begraven – ligt volgens beide NIK-bestuurders niet voor de hand. „De begraafplaatsen zijn ons eigendom, en als we zouden samenwerken, dan zouden zij ook recht kunnen hebben om er begraven te worden. Dan kan je op religieuze gronden problemen krijgen,” aldus Vis. Eén ding staat in ieder geval vast, de druk op het NIK wordt groter. Want het zou goed kunnen dat over een jaar of tien enkele Joodse gemeenten in de mediene niet meer voor hun eigen begraafplaats kunnen zorgen. „Mensen worden ouder, en er komt weinig nieuwe aanwas bij. We moeten nu al rekening houden met extra begraafplaatsen die we in de toekomsten moeten gaan onderhouden,” zegt Luzac. „Maar het is van groot belang dat wij ervoor zorgden. De begraafplaatsen zijn spiegels van een Joodse gemeenschap. Het is van zo’n grote historische waarde, en zegt veel over onze aanwezigheid als ‘Joodsche Natie’ in Nederland.” En, zo benadrukt Luzac, elke begraafplaats vertelt een ander verhaal. Zo staan er in Zaltbommel gietijzeren matsevot en laten de twee Joodse begraafplaatsen in een gat als Sneek de spanningen binnen een kleine gemeenschap zien. „En als je op een willekeurige begraafplaats loopt, zie je allemaal oude Joodse namen. De oorlog heeft de namen uitgewist. Het is een zware erfenis.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*