‘Beter een halfjood dan een lege dop’

Op 11 mei 2002 overleed journalist Martin van Amerongen, deze week tien jaar geleden.

Auteur: René Zwaap
Foto: De Groene Amsterdammer

Martin van Amerongen (1941-2002) maakte op 17-jarige leeftijd zijn journalistieke debuut bij het clubblad van Scopus, de jeugdvereniging op liberaal Joodse grondslag die toen net het licht had gezien. Als voormalig Mulo-A-leerling, magazijnbediende in een fabriek voor damespantalons en assistentdeurwaarder leek hij wellicht niet de meest aangewezen persoon voor een loopbaan in de journalistiek, maar bij Scopus – wier verenigingsorgaan hij naar eigen zeggen onder minstens 27 pseudoniemen volschreef – bleek al snel dat hij als geen ander geëquipeerd was voor het bestaan van ‘letterknecht’. 
Als kind koesterde deze zoon van een Joodse vader en een uit Duitsland afkomstige niet-Joodse moeder (‘beter een halfjood dan een lege dop,’ placht Van Amerongen te zeggen) onder invloed van een oom die predikant was nog een tijdje de ambitie om ook zelf op de kansel te klimmen. Zijn moeder had hem evangelisch-Luthers laten dopen, dus in wezen had het gekund. Gelukkig voor de Nederlandse journalistiek kreeg zijn literaire inslag (‘Ik was een ongeconcentreerde leerling maar had wel de lidmaatschapskaarten van vijf bibliotheken op zak’) toch de overhand. Nadat hij bij Scopus had kunnen laten zien wat hij redactioneel in zijn mars had, kwam Van Amerongen terecht bij de Friese editie van het socialistische dagblad Het Vrije Volk en kon de journalistieke legende beginnen.

Terughoudend 

Gedurende zijn ongewoon productieve journalistieke bestaan (hij schreef naast een oneindig aantal artikelen een kleine dertig boeken) behandelde hij onder andere als hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer bijna ieder denkbaar onderwerp, maar over het privé-universum van zijn jeugd was hij opvallend terughoudend. Dat wat bekend is over zijn jonge jaren komt vooral uit vraaggesprekken die met hem werden gevoerd. Daardoor weten we dat hij tijdens de oorlog ondergedoken zat op een boerderij in Huizen, dat zijn moeder verhaal kwam halen als hij later op school een antisemitische opmerking naar zijn hoofd geslingerd kreeg en dat hij het aan de stok kreeg met een ‘mesjogge rabbijn’ die hem de Joodse maat wilde meten.
Met zijn Joodse vader had hij een moeizame verhouding. „Hij was zó door de nazi’s en antisemieten geïndoctrineerd, dat hij moet hebben gedacht dat hij inferieur was,” vertelde Van Amerongen kort voor zijn overlijden in een interview met de Volkskrant. „Een nare, nurkse, ongelukkige man met onbeheersbare driftbuien. Dat is de reden waarom ik mijzelf op dit gebied optimaal probeer te beteugelen.”
Jodendom en Israël waren ontegenzeggelijk twee hoofdthema’s in het journalistieke oeuvre van Martin van Amerongen. Hij demonstreerde een zielsverwantschap met Joodse romantici als Heinrich Heine en Karl Kraus en ontwikkelde een nauwe vriendschap met de Weense nazi-jager Simon Wiesenthal. In zijn boek De samenzwering tegen Simon Wiesenthal (1976) beschuldigde Van Amerongen – toen een van de leden van het journalistieke sterrenteam van Vrij Nederland – de Oostenrijkse bondskanselier Bruno Kreisky van het houden van een publicitaire ‘klopjacht’ op Wiesenthal, van wie hij een soort collaboratie met de Gestapo had gesuggereerd. Dat ging gepaard met enige hardhandige formuleringen (‘Wie Mauthausen overleefd heeft, die zal ook Kreisky overleven’) die Kreisky bewogen tot een gang naar de rechter in het Oostenrijkse Graz. De Nederlandse journalist werd prompt veroordeeld tot een boete van 1800 gulden.
Van Amerongen koos eieren voor zijn geld en bood met lange tanden excuses aan, zodat hij in ieder geval van de boete werd gevrijwaard. Simon Wiesenthal zou voor altijd dankbaar blijven voor de bewezen steun. „Martin was voor mij een soort familielid,” aldus Wiesenthal later tegenover De Groene Amsterdammer. „Het was een tijd dat niemand in Oostenrijk mij durfde te verdedigen. Onder die omstandigheden is Martin tegen Kreisky opgetreden. Hij bewees dat hij mijn werk echt had begrepen. Ik had geen betere advocaat kunnen vinden, niemand met meer gevoel en kennis van zaken.”
Het Palestijns-Israëlische conflict hield Van Amerongen tot aan zijn laatste journalistieke snik bezig. Nog anderhalve week voor zijn dood stelde hij een speciaal themanummer van De Groene Amsterdammer samen over de toekomst van Israël, geschreven door wetenschappers en publicisten van internationaal kaliber, waarin niet de gruwelen van het heden, doch de perspectieven voor een betere toekomst voor Jood en Palestijn werden belicht. Waar hijzelf stond ten aanzien van dit kolossale vraagstuk ving hij in een typisch Van Amerongeniaans axioma: „De Palestijnen hebben gelijk, maar de Joden moeten winnen.”