Belediging als dialoog 

Ruben Oppenheimer ZelfportretCartoonist Ruben L. Oppenheimer werpt zich na de aanslagen in Parijs op als onbevreesd voorvechter van het vrije woord. „Wij satirici zijn de vooruitgeschoven pion die als eerste wordt afgeslacht.”  

Cartoonist Ruben L. Oppenheimer (Maastricht, 1975) komt net terug van een weekend met vrienden in een huisje in de Ardennen, ‘ver weg van alles’. „Het stond al gepland, maar het kwam nu wel heel goed uit. Het zijn hectische dagen.”
Oppenheimer, die onder meer tekent voor NRC Handelsblad en nrc.next, De Gelderlander, de Leeuwarder Courant en De Standaard, is na de aanslagen in Parijs van twee weken geleden niet uit de media weg te slaan. De avond na het bloedbad op de redactie van Charlie Hebdo was hij te gast bij DWDD en Jinek, later bij het Journaal, en ook bij de internationale media, van CNN tot de BBC en Channel 4. Oppenheimer is dan ook de ideale talkshowgast: intelligent, welbespraakt en hij neemt geen blad voor de mond. Ook voor het NIW vertelt hij graag zijn verhaal. „De twee blaadjes die bij ons thuis altijd op tafel lagen waren Levend Joods Geloof en het NIW.” Oppenheimer groeide op in een liberaal-Joods gezin in Maastricht. In interviews spreekt hij zelden over zijn Joodse achtergrond.
„Het doet meestal niet ter zake. In mijn werk speelt mijn afkomst geen rol, totdat ik erop word aangesproken. Als ik bijvoorbeeld een kritische cartoon maak over het beleid van Israël, zeggen mensen weleens dat ‘ik als Jood’ dat niet zou moeten doen. Datzelfde hoor ik trouwens ook als ik kritiek geef op de islam. In beide gevallen zeg ik dan: ‘Ik heb ook leren schoenen aan. Mag ik daarom niets zeggen over de dierenindustrie?’ Mijn Joods-zijn definieert mij maar ten dele. Ja, ik ben Joods, maar ik ben ook Nederlander, Maastrichtenaar, ik ben een liefhebber van whisky, ik draag een baard. Ik hoop dat ik over Israël net zo scherp kan oordelen als over ieder ander politiek onderwerp. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen. ‘Joodse zelfhater’ is een van de minste dingen die ik naar mijn hoofd krijg.”
In de Tweede Wereldoorlog is Oppenheimers familie van moederskant bijna in zijn geheel naar Sobibor gedeporteerd. Alleen zijn moeder, die als baby uit de Hollandsche Schouwburg werd gered, overleefde de oorlog. Van vaderskant hebben alleen zijn vader en diens zusje, ouders en oom kunnen overleven, door onder te duiken. „Dat maakt natuurlijk indruk als je kind bent. In die zin ben ik opgegroeid met een Joods bewustzijn. Maar behalve dat ik mijn bar mitswa heb gedaan, omdat mijn vader dat belangrijk vond, ben ik volstrekt atheïst. Rond mijn achtste kwam ik erachter dat Sinterklaas niet bestaat. Toen heb ik gelijk de persoonlijke God de deur uit gedaan. Daar kreeg ik niet eens cadeautjes van. Maar mijn achtergrond wil en zal ik nooit verdoezelen.”

Hoe heb je de aanslagen op Charlie Hebdo en de kosjere supermarkt persoonlijk beleefd, als Joodse cartoonist?
„Het waren beide gerichte aanslagen, maar de tweede, op de kosjere winkel, was anoniemer en daardoor minder aangrijpend. De aanslag op Charlie Hebdo was tegen specifieke personen gericht. Voor mij kwam dat dichterbij. Ik ben iedere dag cartoonist, zo sta ik iedere dag in de krant. Met mijn afkomst ben ik niet elke dag bezig. Ik realiseer me dat dat voor een terrorist niet uitmaakt. Toch is voor mij de dreiging van iemand die mijn tekeningen aanstootgevend vindt, reëler dan van iemand die mij alleen als Jood ziet. Ik heb niet de indruk dat er een prijs op mijn hoofd staat, maar voor sommige mensen zou ik inderdaad twee vliegen in één klap zijn: Joods én cartoonist. Ik hoop trouwens niet dat veel jihadisten het NIW lezen!”

‘Een goede cartoon moet aanzetten tot nadenken,’ zei je eens. ‘Als mensen alleen moeten glimlachen, is het maar een illustratie.’
„Ja, provocatie is belangrijk. Maar ik ben een heel ander soort cartoonist dan die van Charlie Hebdo. Ik zag ook een keer cartoon op de site van de Arabisch-Europese Liga, van Hitler en Anne Frank die in bed een sigaret roken, terwijl hij zegt: ‘Schrijf dát maar in je dagboek!’ Hoewel ik daar nog best om kan gniffelen, vind ik dat soort humor een beetje doelloos provoceren. Ik hoop dat mijn tekeningen mensen confronteren met iets waar ze misschien nog niet zo over hadden nagedacht. Ik maak ook wel grove grappen, hoor. Ik had een keer een tekening van rokende schoorstenen met daarboven de tekst: ‘Langer doorwerken maakt vrij’. De vakbonden schreeuwden toen moord en brand om het langer doorwerken, er werden rare opmerkingen gemaakt over ‘mensen die na de oorlog dit land hebben opgebouwd’. Daar wilde ik de draak mee steken. In zo’n geval is mijn moeder mijn lakmoesproef. Die zei ‘Ruben, hij is keihard, maar ik moet er wel om lachen.’ Maar volgens dagblad De Limburger ging hij veel te ver, dus toen heb ik hem aangepast. Dat is een afweging van de krant, en dat is toch mijn broodheer.”

Lees verder in NIW 15

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*