‘Angst is een vorm van fantasie’

ArnonArnon Grunberg vertelt tijdens een publiek vraaggesprek in de synagoge van de orthodoxe gemeente in Arnhem over de plek van ‘het lijden’ in zijn schrijverschap en het stempel van een alom aanwezige moeder. „Je kunt ervoor kiezen om het slachtoff erschap uit te vergroten, je kunt er ook voor kiezen om dat niet te doen.”

Door Ronit Palache

Een iel mannetje met witte borst trekt baantjes voor het oog van de camera. Even later aan de ontbijttafel belt hij voor de eerste keer die dag met zijn moeder. ‘Hallo, ben jij dat?’ vraagt hij bijna onhoorbaar aan de andere kant van de lijn, alsof hij niet weet wie er zou opnemen in het huis waar alleen zij woont. ‘Is dat mijn lieve jongetje?’ klinkt het met dezelfde gespeelde onwetendheid. En waarachtig, hij is het. Haar zoon, haar ooit zo onmogelijke zoon, Arnon Grunberg. Deze scène komt uit de VPRO-documentaire Heb je nog vrienden u it 2 011, gemaakt ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de schrijver. Intimi vertellen erin what makes him tick. Wie is de man die dagelijks een column heeft in De Volkskrant, wekelijks een rubriek in Humo, Vrij Nederland en de VPRO- gids. De man die om de twee jaar een succesvolle roman publiceert, naar Irak en Afghanistan embedded afreist, interviews maakt, toneelstukken schrijft, voor een petekind zorgt en ook nog tijd heeft zijn moeder vijf keer per dag te spreken?

In sjoel
Niet alleen de documentairemaker vond dat interessant; Grunberg wordt veelvuldig gevraagd interviews te geven. Ter gelegenheid van een nieuw boek doet hij dat af en toe, een persoonlijk interview geeft hij bijna nooit. Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) deed een poging en hoera – Grunberg stemde toe met een interview in de sjoel van Arnhem. Waarom? „Het is wel grappig om eens iets voor de Joden te doen. Die mensen hebben het moeilijk.” Het is tien over drie als Arnon Grunberg zondagmiddag 17 maart het pand binnen komt lopen. „Ik heb een taxi genomen, want ik moest nog naar mijn moeder.” Er zit een man of zeventig geduldig in de zaal te wachten. Ze zijn er al een uur; zo gaat dat kennelijk in de mediene. Maar Arnon neemt zijn tijd. Hij schudt rustig de hand van de organisatoren, drinkt een kop koffi e en neemt zichtbaar zelfverzekerd plaats in de geïmproviseerde biechtstoel. ‘Wanneer ben je voor het laatst in sjoel geweest?’ wil ik weten. Grunberg kijkt betrapt, maar gaat er serieus op in. „Ik vermoed tien jaar geleden, op Jom Kipoer in Lima. Dat is althans, als je de keren in de nederzetting waar mijn zus woont niet meetelt. Maar dat was niet in een sjoel, al zou je natuurlijk kunnen zeggen dat die hele Westelijke Jordaanoever één grote sjoel is.” Ooit was dat wel anders. Toen ging kleine Arnon wekelijks naar sjoel en ‘mocht, nee móést ik daar Anim Zemirot zingen’. Zijn vader ging nooit mee. „Als mijn moeder gasten uitnodigde zei mijn vader steevast ‘We zijn geen restaurant’. In die Gerard Dousjoel liepen vreemde types rond, herinnert Grunberg zich. „Zo was er een meneer van wie gezegd werd dat zijn vader een nazi was. Daarom wilde hij Joods worden. Uiteindelijk heeft hij zich in een liftschacht gegooid. Of in het IJ, dat weet ik niet meer.” Over zijn kindertijd schreef Grunberg uitvoerig in zijn debuutroman Blauwe Maandagen (1994). Hij ontziet hierin niemand en rekent vilein af met de omgeving die hem voortbracht. „Ik heb veel lelijke vrouwen gezien in mijn leven, maar zo lelijk als die vrouwen die Joods wilden worden zag ik ze nooit,” is zo’n passage. In Arnhem vraagt hij zich wederom af hoe het toch komt dat het jodendom zo’n aantrekkingskracht heeft op vooral lelijke mensen. Ook zijn moeder moet het ontgelden in het boek. Ze schrijft hem na publicatie een brief waarin ze zegt dat hij haar zoon niet meer is. ‘Het ging nog net niet zover dat ze sjivve voor me ging zitten.’ Uiteindelijk draait ze die beslissing terug. „Ze hoopte dat het boek een succes werd, dan zou ze tegen meelijhebbende mensen in haar omgeving kunnen zeggen: ‘Ja maar dat is literatuur’.”

Zelfhaat
En een succes werd het. Niet alleen in Nederland. Het boek werd in negen talen vertaald, en bekroond met de Anton Wachterprijs voor het beste debuut en het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut. Vier jaar later werd Grunberg gevraagd het Boekenweekgeschenk te schrijven en elke roman die nadien verscheen kon rekenen op succes, lof, nominaties en prijzen. Men heeft het niet zelden over het genie Grunberg. Alleen al door zijn productie is hij een zeldzaam schrijver. Maar zo ziet hij zichzelf slechts af en toe. „Ik zie mezelf niet als een groot succes, dan zou ik niet goed kunnen schrijven. Je wil juist ontsnappen aan jezelf. Schrijven, verliefdheid doen dat. Op het moment dat je jezelf helemaal geweldig gaat vinden is de drijfveer om te schrijven er niet meer. Ik ben juist heel kritisch over wat ik doe. Succes is niet zo interessant. Als schrijver vind je dat het nooit genoeg is, en heb je meer aandacht voor wat mislukt dan wat lukt. Ik reageer bijvoorbeeld veel sneller op een beledigende lezersbrief dan op een complimenterende. Op dagen dat ik tevreden ben, vind ik mezelf bijvoorbeeld erg grappig. Als je iets wil maken moet je af en toe érgens denken dat je geniaal bent. Anders doe je het niet. Dat bedoel ik niet onbescheiden, maar het is meer een motto.

Lees verder in NIW 27

1 Reactie

  1. het ligt waar je ben en ben geweest, als je de tweede wereldoorlog heb meegemaakt, dan is angst heel gewoon en geen fantasie, vooral als je in een concentratiekamp ben geweest, dan is angst gewoon angst en geen fantasie.
    Het was namelijk elke dag wel wat, wordt jij het of je buurman!

    Dat was geen fantasie, dat was echt.

    En s’morgens geen eten hebben was ook echt en geen fantasie, je droomde er wel over, maar het was geen fantasie, dat was heel anders.dat was echt, dan kan je beter jezelf uitschakelen door meditatie, en je honger vergeten, dat scheelt nadenken over fantasie, anders werd je gek. en dat moet je nu net niet hebben in zo’n kamp, dan werd het je dood. zonder brood.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.