A hell of a Job

Foto door Martijn van Gelder

Job Gosschalk is jarenlang de bekendste Nederlander achter de coulisse geweest, nu treedt hij meer en meer op de voorgrond met zijn eigen werk.

Het is dinsdag, vijf uur ’s middags en het sneeuwt. Job Gosschalk (45) is zijn woning in de Amsterdamse Pijp nog niet uit geweest. Pas over een paar uur hoeft hij op de set van de nieuwe televisieserie Charlie, met in de hoofdrol Halina Reijn, te verschijnen. Geheel ontspannen zit hij aan de lange eettafel in zijn souterrain. Hij werd groot met zijn bedrijf Kemna Casting. Als casting director werd hij gezien als een van de meest invloedrijke personen in het acteursvak. Maar Gosschalk heeft zijn ambities de laatse jaren verlegd; produceren en regisseren vullen nu zijn dagelijkse agenda. Zijn laatste productie, ’t Schaep in Mokum, wordt meer dan goed ontvangen in de Nederlandse huiskamers. Het verhaal van Job Gosschalk begint in Deventer, waar een klein Joods jongetje de wereld en zichzelf leert kennen.

 

Hoe Joods ben je opgegroeid?

 Op mijn elfde kreeg ik wekelijks Joodse les, ter voorbereiding op mijn bar mitswa. Ik was heel blij dat mijn leraar de parasja fonetisch voor me had ingezongen op een bandje, want zo ijverig was ik ook weer niet. Maar wat wil je, je bent elf, bijna twaalf, dan gieren – althans bij mij – hele andere dingen door je lichaam dan het jodendom. Het was daarnaast betrekkelijk nieuw voor mij. Tot mijn elfde was ik me alleen maar bewust van mijn joods zijn omdat ik besneden, en dus anders, was. Ik kom uit een groot gezin, maar ik was een echte nakomeling, een soort tweede leg. Mijn oudste zus was twintig jaar ouder, mijn jongste zus twaalf jaar ouder dan ik. Toen ik geboren werd, had mijn oudste zus zelf al twee kinderen. Eigenlijk ben ik opgegroeid als enig kind. Mijn ouders hebben elkaar in de oorlog leren kennen en deden thuis niets aan het jodendom; geen kosjere keuken, geen sjabbat, geen feestdagen. We waren wel lid van de orthodoxe gemeente in Deventer, maar die bestond uit een paar oudere families, meer was er niet. Die paar oude mannen, dat spreekt niet echt tot de verbeelding van een kind van elf. En ik vond het eng, want behalve wat ik had geleerd bij Joodse les, begreep ik er geen snars van. Ik was veel meer bezig met mijn homoseksualiteit – omdat dat iets van mezelf was. Ik voelde me eenzaam, onveilig in het jodendom.

 

Leg dat onveilige gevoel eens uit. 

Het voelt dubbel. Ik kijk bijvoorbeeld met plezier terug op mijn periode bij Haboniem, waar ik na mijn bar mitswa lid van werd. Als we ’s ochtends om acht uur het Hatikwa zongen, stond ik altijd hard mee te blèren. Maar het religieuze deel heeft me altijd een gedwongen gevoel gegeven. Dat speelt nog steeds mee, een paar basisdingen kan ik niet in sjoel. En hoewel ik niet Joods leef, is het wel op een rare manier aanwezig in mijn werk. Er zitten componenten in, zoals een bepaald soort humor, werken vanuit de underdogpositie, iets taligs. Je ziet dat ook bij andere Joodse makers. Soms gaat mijn gevoel open bij iets dat Joods is. Bijvoorbeeld als ik een Israëlisch liedje hoor. Maar beredeneren waarom ik het mooi vind, kan ik niet. Hoe geef je invulling aan je Joodse achtergrond? De afgelopen twee jaar ben ik vier keer naar Israël geweest. Daarvoor wel twintig jaar niet. Ik voel me heel prettig in Tel Aviv. Dat heeft misschien te maken met dat ik op elke straathoek ‘familie ’ zie. Het jodendom in Nederland gaat altijd over religie, in Israël niet. Ik geloof niet, ik ga niet naar sjoel om een God te aanbidden, maar ik heb wel een soort behoefte om bij Joodse mensen te zijn. In Israël is een sfeer die ik heerlijk vind. En misschien heb ik stiekem in mijn achterhoofd dat het wel leuk zou zijn als ik een mooie Joodse man in Tel Aviv tegen zou komen.

 

Hoe zijn jouw ouders omgegaan met jouw homoseksualiteit?

 Toen ik het mijn ouders vertelde – ze hadden natuurlijk al een beetje hun vermoedens, ik was niet echt een enorme John Wayne – heeft mijn moeder in tranen gezegd: „Maar je bent al Joods.” Zij vond dat al zo’n belasting. Mijn ouders hadden geen homoseksuele vrienden, dus ze hadden geen referentie. Er was geen beeld van twee mannen die samen gelukkig waren, maar wel het idee dat het niet helemaal geaccepteerd was in de maatschappij. Waar ik mijn moeder altijd dankbaar voor ben geweest, is dat toen ik een vriend kreeg – met wie ik veertien jaar samen was – zij mij erg steunde.

 

Vorig jaar stelde een groep rabbijnen, waaronder de NIHS-opperrabbijn Ralbag, in een publieke verklaring dat homoseksualiteit te genezen is. Raakt dat je? 

Je hebt de goede, maar walgelijk documentaire Jerusalem is Proud to Present. Daarin zie je dat orthodoxe Joden, moslims, kopten, noem het maar op, één gezamenlijke vijand hebben: de homo. Dat is uitzonderlijk. Groepen die elkaar normaal gesproken naar het leven staan, vinden elkaar in een vijand waar ik me mee moet identificeren. Ik denk altijd dat als ze mij zouden kennen, ze zouden zeggen: ‘goh wat een intelligente, aardige man’. Ik kan mij niet voorstellen dat iemand mij omwille van mijn geaardheid zou afwijzen. Ik kan er ook niet bij dat Joden, die vaak worden afgewezen omwille van hun afkomst, waar ze niks aan kunnen doen, iemand anders daar wel op kunnen afwijzen. Dat is het minst humane, minst Joodse wat er bestaat.